Zakenman zou moord hebben gelast op vastgoedhandelaar

Het Openbaar Ministerie zoekt nog steeds naar de opdrachtgever voor de moord op de Haagse vastgoedhandelaar Victor ’t Hooft. De man die nu als hoofdverdachte geldt, heeft justitie de naam genoemd van een zakenman als mogelijke dader of opdrachtgever.

Dit bleek gisteren tijdens een zitting van de Haagse rechtbank waar de voorlopige hechtenis van de reeds aangehouden verdachten werd verlengd. Hoofdverdachte Remond P. (41), die op 7 november vorig jaar vier keer op ’t Hooft zou hebben geschoten, was niet aanwezig. Zijn medeverdachte Leslie S. (27) uit Den Haag kreeg van de officier van justitie te horen dat hij wordt verdacht van „het medeplegen van een geplande moord.”

Vastgoedhandelaar ’t Hooft werd op zaterdagavond kort na zes uur neergeschoten bij zijn huis aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag door iemand die hem daar had opgewacht. ’t Hoofts echtgenote wist de schutter zijn bivakmuts af te trekken. Op grond van haar verklaring kon een tekening van de dader worden gemaakt. Daarop werd P., een bekende van justitie, aangehouden. Bij hem werd het wapen gevonden waarmee ’t Hooft is doodgeschoten. Op diens kleding zat DNA van P.

Tegenover justitie heeft P. verklaard dat een Haagse ondernemer die „een hele grote schuld heeft bij ’t Hooft” als hoofdverdachte moet worden aangemerkt.

De beschuldiging van medeplegen aan het adres van Leslie S. blijkt onder meer gebaseerd op een afgeluisterd gesprek in een arrestantenbusje. Advocaat P. Hoogendam: „Het is voor het eerst dat ik zoiets meemaak. Dat telefoongesprekken worden afgeluisterd, al of niet in de gevangenis, wisten we wel. Maar een gesprek opnemen tijdens het vervoer van of naar het huis van bewaring is nieuw voor mij.”

In het opgenomen gesprek tussen S. en een derde verdachte in de zaak, de uit Azerbajdzjan afkomstige Sergej of Max A., gaat het over „samen fietsen” met Remond P. op de bewuste zaterdagmiddag en dat ze „pief paf paf” hebben gedaan. Daarna wordt er hard gelachen. Volgens de advocaat werd het gesprek gevoerd in „zeer gebrekkig Nederlands” en zijn er bij de uitwerking van het bandje zaken weggelaten. S. stond volgens het OM tijdens de moord te wachten bij een benzinestation schuin tegenover „de plaats delict”.