Warme verfilming van ‘De brief voor de koning’

De brief voor de koning. Regie: Pieter Verhoeff. Met: Yannick van de Velde, Quinten Schram, Rüdiger Vogler, Victor Reinier, Daan Schuurmans. In: 103 bioscopen.

Met De brief voor de koning (1962) schiep Tonke Dragt een fictief Middeleeuwse wereld met ridders, kluizenaars, jonkvrouwen, spionnen en een schildknaap die een opdracht krijgt die doet denken aan de queeste uit Tolkiens The Lord of the Rings. Nu is de verfilming van haar riddersage gereed. Na een lange voorgeschiedenis, waarin producenten (Laurens Geels) en regisseurs (Pieter Kuijpers) afhaakten, was het uiteindelijk aan veteraan Pieter Verhoeff om dat verhaal filmisch vorm te geven. Verhoeff, bekend van Nynke, is daar voorbeeldig in geslaagd. Tientallen locaties, een Duits-Nederlandse (en dus flink nagesynchroniseerde) monstercast, paarden en echte zwaardgevechten – het ziet er allemaal even professioneel uit. Warmbloediger bovendien dan het voor ruim drie miljoen meer gemaakte Kruistocht in spijkerbroek.

De jonge acteurs Yannick van de Velde (vader Jean regisseerde de ridderfilm, Floris) en Quinten Schram overtuigen als het duo Tiuri en zijn in de bergen opgegroeide reisgezel Piak, die een geheime boodschap moeten bezorgen bij koning Unauwen. Zij zijn het hart van de film. In hun voetsporen galoppeert de film door een aantal van de mooiste natuurgebieden die er in Europa te vinden zijn.

Al die kastelen, moerassen en grasvlaktes werden in de montage tot één mythisch superlandschap aan elkaar gesmeed. Van het bos bij de stad van koning Dagonaut waar Tiuri de missie van de zwervende ridder Edwinem overneemt, tot kasteel Mistrinaut waar hij kennis maakt met de grijze ridders en de mooie jonkvrouwe Lavinia, naar de besneeuwde hut van kluizenaar Menaures in de bergen en de brug over de Regenboogrivier waar Tiuri en Piak bijna verdrinken. Daar ontmoet hij ook zijn belangrijkste tegenstanders: de rode ruiters, de verrader Jaro en de slangachtige Slupor.

Het zijn de momenten waarop Tiuri’s moed, trouw en verantwoordelijkheidsgevoel op de proef worden gesteld en zijn eigenlijke Bildung van jongen naar man, van schildknaap naar ridder plaats kan vinden. Net als bij Tolkiens Frodo groeit bij hem het besef dat hij zijn queeste opgedragen heeft gekregen omdat hij hem dragen kan. Dat is door Verhoeff in de film een tikkeltje zwaarder aangezet dan in het boek, waardoor Tiuri een completer personage is geworden. Andere grondgedachten uit het boek, waaronder het op veel niveaus doorwerkende tweeling- en dubbelgangermotief zijn in de film minder pregnant aanwezig. Maar het is onvermijdelijk dat een film die aangenaam onder de honderd minuten klokt, van hoogtepunt naar hoogtepunt moet spurten.

Er werd vakkundig ingedikt. De efficiënt-epische vertelstijl die daarbij wordt gehanteerd zijn we in Nederland niet gewend: weinig tekst en uitleg, voor de grote lijnen zijn er helikoptershots, voor de details close-ups. Het enige dat bij zoveel grandeur achterblijft zijn dialogen en acteerwerk. Het is geen sinecure om met een helm op verstaanbaar te blijven of in enkele shots een geloofwaardig archetype neer te zetten. Sommige acteurs slagen daar beter in dan andere. Jeroen Willems als de strenge tolheer Ardian bijvoorbeeld ontvouwt in enkele seconden een complex karakter. Derek de Lint als de hooghartige koning Dagonaut daarentegen grijpt terug op de gestiek van de stille film.