Vroeger is het toverwoord op camping Bakkum

Ooit zongen Jordanezen smartlappen bij het kampvuur op de camping van Bakkum. Nu zijn er de tweeverdieners en heeft de wc vloerverwarming. Deel twee van een wekelijkse serie over badplaatsen.

Ongevraagd krijgt hij zijn „harinkie” op zijn Amsterdams. Gesneden, met uitjes en zuur. „Aaf weet intussen wat ik lekker vind”, grijnst Jan Tuin (61) op het terras voor de viswinkel. De Amsterdammer komt al 36 jaar op camping Bakkum – ‘kamp Bakkum’ voor ingewijden – zonder een zomer over te slaan.

Tuin noemt zichzelf „nog een groentje”. Maar hij is een goede bekende van de middenstanders op het winkelplein: Aaf de visvrouw, Lisa van het kippaleis, Jan de ijsman en René de patatboer, met ‘Amsterdamse croquetten’. De camping, vlakbij Castricum in de Kennemerduinen, is met zestig hectare en duizenden vaste kampeerders een dorp op zichzelf.

Maar ons Bakkum is ons Bakkum niet meer, mijmeren de middenstanders. Oud-bewoners worden „weggepest”. Er komt steeds meer „import”. De nieuwe generatie – tweeverdieners – zorgt voor een goede omzet, zegt Jan Nijman (57), die hier al 43 jaar softijs verkoopt. „Maar het wordt minder gezellig.” Dat komt door de yuppen, beaamt Tuin. „Die lui kopen truitjes van zeventig euro. Dat had je vroeger niet.”

Vroeger is hier een toverwoord. Vroeger woonden families hier het hele seizoen, van maart tot oktober. Door de week vertrokken de mannen ’s ochtends met de eerste trein naar Amsterdam om te werken, vrouwen gingen de hele dag bij elkaar op de koffie en de kinderen bezochten het campingschooltje. Vroeger lette iedereen een beetje op elkaar, het was „een sociaal gebeuren”. En, niet onbelangrijk, vroeger kostte een seizoensplaats 350 gulden, vertelt Tuin.

Nu kost een seizoensplek zo’n 1.500 euro per jaar. En dat merk je aan alles. De klassieke houten huisjes met tentzeilen dak hebben plaatsgemaakt voor luxe stacaravans, met ijskast en tv. De campingsupermarkt verkoopt 36 soorten jam, mooie chablis en verse oesterzwammen. De toiletgebouwen hebben wc-papier en vloerverwarming.

Zes jaar geleden begon waterleidingbedrijf PWN, dat het duingebied met de campings Bakkum, Gerversduin en De Lakens sinds 1934 voor de provincie Noord-Holland beheert, met een grote renovatie. De herinrichting van Bakkum, die tientallen miljoenen euro’s kostte, is onlangs afgerond.

„Het is wel beter geworden”, geeft Tuin toe. Maar van het „milieuterrorisme” van PWN moet hij niks hebben. Het waterleidingbedrijf streeft naar ‘natuurgericht’ kamperen. „Het duinkarakter van de camping met veel struweel en struweelvogels, is een unique selling point”, meldt de folder.

PWN moet waken voor het milieu, want het filtert Rijnwater in de duinen tot drinkwater. Daarbij verplicht de Europese habitatrichtlijn PWN de bedreigde nauwe korfslak en de gevlekte witsnuitlibel te beschermen.

Daarom moeten de huurders hun seizoensplaatsen elke winter leeg opleveren en mogen ze ’s zomers hooguit eenderde van hun plek bebouwen. De caravans mogen niet in de lengte worden opgesteld, dat oogt te wit. Ook bloemperkjes en hekjes worden niet op prijs gesteld.

Jan Tuin zal het worst zijn. Rond zijn kunstgrasmat staan gipsen engeltjes met bakken geraniums op de arm. Een plastic poes klimt in zijn hekwerk. „Bakkum is mijn achtertuin”, zegt hij. „Maar het echte Bakkumgevoel is weg. Vroeger stond iedereen gezellig door elkaar. Het was populair gezegd een klerezooi.”

In het milieubeleid van PWN kan Tuin zich nog wel verplaatsen, maar over de huurprijzen maakt hij zich kwaad. „Als mijn zoons komen logeren, moet ik per nacht bijbetalen”, schampert hij. „Belachelijk, zij zijn hier zowat geboren.” De verhouding tussen de beheerder en de bewoners is volgens hem „uitermate slecht”.

PWN ontkent dat. „Maar sinds de herinrichting is het onrustig”, geeft een woordvoerder toe. Over de tariefsverhoging loopt een hoger beroep van zevenhonderd vaste huurders, verenigd in een kampeervereniging, die al vijftig jaar de wekelijkse bingo- en klaverjasavondjes organiseert.

„We zijn stukken duurder geworden”, erkent de PWN-woordvoerder. Maar de opbrengsten van de verhuur zijn maar net kostendekkend, zegt hij. „Daarbij, we zijn helemaal niet duur in vergelijking met andere campings. Alleen als je het vergelijkt met vroeger.”

Tot midden jaren negentig draaiden de waterafnemers op voor de kosten van de verlieslijdende camping. Maar sinds PWN is opgesplitst in twee takken (waterwinning en recreatie) moet camping Bakkum zichzelf financieren. „We hebben eigenlijk geen enkel belang bij een camping”, zegt de woordvoerder. „Dat is historisch zo gegroeid.”

De geschiedenis van camping Bakkum gaat terug tot 1914, toen een Duitse prinses twintig mensen toestemming gaf hun tentje op haar landgoed op te slaan. In enkele decennia groeide Bakkum uit tot de grootste camping van Nederland.

Na de dood van de prinses kwam het beheer van de camping via de provincie in handen van PWN. Volgens de overlevering stond in het testament van de prinses dat het ‘sociale karakter’ van de camping behouden moest blijven. De kampeerders waren van meet af aan vooral arbeiders uit Amsterdam en de Zaanstreek.

„Driehoog achter”, typeert Aart Leemhuis (60) het oorspronkelijke publiek. De ‘kamparts’ houdt al bijna dertig jaar dagelijks zijn spreekuur op de camping. Toen hij begon, had 80 procent van de kampeerders een inkomen beneden modaal. Maar dat mocht de pret niet drukken. „Hele Amsterdamse straten stonden hier bij elkaar”, memoreert Leemhuis. „’s Avonds zongen ze smartlappen bij het kampvuur.”

„Je had te maken met echte Jordanezen”, vertelt Jan Zijlstra (55), die de camping van 1978 tot 2006 runde. „Het was een apart slag mensen, de ome Kezen en de ome Harries, heel amicaal.” Hij kon vroeger geen huisje voorbijlopen of hij moest op de koffie komen. „Maar het hechte groepsgevoel is helemaal verdwenen”, zegt Zijlstra. „Dat stemt weemoedig.”

Tien jaar geleden hebben de yuppen Bakkum ontdekt, vertelt Zijlstra. „Net zoals ze de Jordaan ontdekt hebben.” Volgens Zijlstra zijn de nieuwe bewoners ouders „van het makkelijke slag”, die „simpel” vakantie willen houden.

Geef ons eens ongelijk, zegt Janet Kampen (39) als ze haar dochtertje van vier ophaalt bij de knutselclub. „Bakkum is ideaal voor de kids.” Voor vertier hoeven kinderen de camping niet af. Op het terrein liggen sportvelden en staat een kinderboerderijtje. De zee ligt een kilometer verderop.

Thuis, in het centrum van Amsterdam, heeft Kampen geen tuin. Ze dacht de stad te ontvluchten, maar treft op de camping „de halve basisschool” van haar dochter.

Kampen staat dit jaar voor het eerst op Bakkum. Ze heeft een huisje overgenomen van oud-Bakkummers die de camping „te veryupt” vonden. Onzin, vindt Kampen. Bakkum blijft immers een afspiegeling van Amsterdam.

Deel 1 van deze serie is te lezen op nrc.nl/binnenland