VN-resolutie als toverstokje

Het kabinet sluit Iraniërs van bepaalde studies uit op grond van een VN-resolutie.

Maar grondrechten kun je alleen inperken op basis van individueel gedrag.

Mag een tweede, bijvoorbeeld Iraans, paspoort een Nederlander beperken in zijn vrijheid van onderwijskeuze? Dat is geen theoretische kwestie meer sinds het kabinet deze maand besloot om behalve Iraniërs ook Nederlanders met een Iraans paspoort uit te sluiten van negen studierichtingen. Dat moet voorkomen dat Iran aan nucleaire kennis komt waarmee het atoomwapens zou kunnen vervaardigen.

Het kabinet zegt dat het verplicht is resolutie 1737 van de VN-Veiligheidsraad uit te voeren. Staten wordt daarin opgedragen dreigende verspreiding van nucleaire technologie naar Iran tegen te gaan. Dat zou een rechtsgrond zijn om een grondrecht, vrije onderwijskeuze, in te perken.

Dit leidt tot de bijzondere situatie dat de ene Nederlander wel een technisch vak mag studeren en de ander niet, omdat hij (ook) een Iraans paspoort heeft. Is dat discriminatie? Of is het ongelijke behandeling in ongelijke gevallen, en dus toegestaan?

Ashley Terlouw, hoogleraar rechtssociologie in Nijmegen, is categorisch: er is volgens haar sprake van verboden onderscheid op grond van nationaliteit en afkomst. Of die Iraanse studenten er de Nederlandse nationaliteit bij hebben, maakt niet uit. De VN-maatregel verplicht zeker niet tot uitsluiting van alle Iraniërs, zegt Terlouw. Ter vergelijking verwijst ze naar de rechter die toenmalig staatssecretaris Rutte (Sociale Zaken, VVD) verbood gemeenten op te roepen Somalische bijstandsgerechtigden extra te controleren. Ook dat was in strijd met artikel 1 van de Grondwet: ieder die zich in Nederland bevindt is voor de wet gelijk.

Gerard-René de Groot, hoogleraar rechtsvergelijking in Maastricht, vindt het tweede paspoort in deze kwestie „irrelevant”. Burgers met twee paspoorten „zijn helemaal Nederlander en, in dit geval, ook helemaal Iraniër”.

Toch is het best denkbaar dat Nederlanders de toegang tot een studierichting wordt geweigerd. Maar dan om redenen die niks met nationaliteit te maken hebben. Een politiek extremist kan de toegang worden geweigerd „tot een studie kernfysica” omdat hij een veiligheidsrisico vormt, suggereert De Groot.

Iets dergelijks gebeurde met een militante pedofiel die eerst in Nijmegen en daarna in Leiden pedagogiek wilde studeren. Het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs was het eens met het Leidse universiteitsbestuur dat zijn komst de opleiding zou ontwrichten. Juridisch was daarmee voldaan aan het vereiste uit de Wet op het hoger onderwijs dat er „bijzondere omstandigheden” en „dringende redenen” moeten zijn om iemand te weigeren die wel over de juiste diploma’s beschikt.

Voor De Groot is toelating of weigering dus een individuele kwestie, waarbij nationaliteit op de tweede plaats komt. Emeritus hoogleraar migratierecht Ulli Jessurun d’Oliveira deelt die visie. De regeling gaat ervan uit dat alle Iraniërs of Nederlandse Iraniërs een veiligheidsrisico zijn totdat het tegendeel is bewezen. Dat moet volgens hem omgekeerd: de overheid moet aantonen dat een bepaald individu géén toegang verdient tot die studierichtingen en locaties.

Jessurun d’Oliveira wijst op artikel 1 van de Grondwet. Het is niet toegestaan om onderscheid te maken naar politieke overtuiging of nationaliteit. „De regeling is veel te generiek en niet te handhaven. Ook Nederlanders kunnen gevoelige informatie overdragen aan een land als Iran.” De Leidse hoogleraar antidiscriminatierecht Rikki Holtmaat zegt dat de regeling „op het eerste gezicht” een verboden onderscheid maakt op grond van nationale herkomst. Dat is niet toegestaan door het Unesco-verdrag inzake discriminatie in het onderwijs én door de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Holtmaat zegt dat het kabinet de VN-resolutie niet als een „toverstokje” mag gebruiken om zich achter te verschuilen. Een toelatingsverbod moet aantoonbaar helpen, zegt zij.

Jessurun d’Oliveira zegt dat de wet gelijke behandeling „niet even bij ministerieel besluit” opzij kan worden gezet. Nederland kan een voorbeeld nemen aan de VS, zegt hij. Iedereen met een dubbele nationaliteit wordt daar individueel beoordeeld, bijvoorbeeld op loyaliteit, financiële positie, strafblad of drugsgebruik. „Inperking van grondrechten moet gebaseerd zijn op individueel gedrag.”

De Leidse emeritus hoogleraar immigratierecht Pieter Boeles twijfelt ook, maar in de andere richting. „Heeft Nederland wel de vrijheid om zo’n VN-sanctiemaatregel níét op te volgen?” Anderzijds kun je een Nederlander die protesteert tegen uitsluiting van een studie alleen op grond van z’n tweede nationaliteit „moeilijk ongelijk geven”, aldus Boeles. „Wat prevaleert, de Iraanse of de Nederlandse nationaliteit?” Boeles zegt dat daar geen simpel antwoord op is. „Je kunt niet in een boekje bladeren en daar het antwoord vinden.”

Meer artikelen over Iraanse studenten: nrc.nl/binnenland