Vloeiende vertelling in Tans ‘4.30’

4:30. Regie: Royston Tan. Met: Yuan Xiao Li, Kim Young-jun. In: Filmmuseum, Amsterdam.

Net als de Hollywoodfilm heeft ook de art housefilm zijn conventies en clichés: een statische, trage, afstandelijke cameravoering, veel dode tijd, niet-expressieve acteurs en het altijd terugkerende thema van vervreemding en de onmogelijkheid van communicatie. Maar ook voor de kunstfilm geldt, alweer net zoals in Hollywood, dat elk cliché in de handen van een echt goede regisseur plotseling opnieuw krachtig en levendig kan zijn.

4:30 van Royston Tan, een aanstormend talent uit Signapore dat in 2004 door Time Magazine werd uitgeroepen ‘Asian Hero’, is zo’n film. Op zichzelf is het helemaal niet zo heel bijzonder wat Tan doet in deze film, die al twee jaar geleden in première ging op het filmfestival van Berlijn. De elfjarige schooljongen Zhang Xiao Wu (Xiao Li Yuan) bivakkeert in een appartement, terwijl zijn moeder langdurig in het buitenland verkeert. Hij is alleen in huis met de huurder Jung (Young-jun Kim), een man uit Korea die al net zoals het jongetje van God en alle mensen vervreemd is.

We zien Jung zichzelf trachten te verdrinken in bad door zijn hoofd onder water te houden – wat hij indrukwekkend lang vol houdt. Ook Zhang vraagt veel negatieve aandacht, zoals dat in de moderne opvoedkunde heet. Hij haalt streken uit van het doorknippen van sigaretten tot plassen in het bad, terwijl zijn ‘Koreaanse oom’ erin zit, en de radio van de op muziek gymmende buurtgenoten op heavy metal zetten en dan hard wegrennen.

Dat zijn lichte verwijzingen van Tan naar zijn reputatie als de ‘bad boy of cinema’. Dat etiket kreeg hij opgeplakt naar aanleiding van expliciete eerste speelfilm, 15 (2003) over jonge criminelen, die hem in problemen bracht met de Singaporese censuur.

Met 4:30 vaart hij een totaal andere koers: niet snel, rauw en expliciet, maar stil en donker. De film speelt zich grotendeels af in de nacht, als de man en het jongetje beiden niet slapen, maar ieder voor zich proberen de tijd stuk te slaan. In de hele film hebben de twee acteurs samen één regel dialoog. Ook als de camera uitstond mochten de acteurs van Tan tijdens de draaiperiode niet met elkaar praten.

Maar de film voelt niet aan als een stijloefening of een poging tot virtuoze bluf ( ‘Kijk eens hoe ver ik durf te gaan’). Daarvoor is de vertelling te vloeiend, te direct en te intiem. Als de film te cerebraal dreigt te worden, breekt pathos door; Tan maakt er een punt van om in al zijn films een man te laten huilen. En als de pathos te zeer de overhand dreigt te krijgen, komt humor te hulp. Slapstickachtige scènes waarin Zang surft op een strijkplank (en omvalt) of in de rij staat op school (en omvalt van vermoeidheid). Dit is een film over alle mogelijke manieren van vallen – behalve in slaap vallen.

In Aziatische arthousekringen is Tan een ware cultfiguur: vorig jaar kwam de film Becoming Royston uit van Nicholas Chee, over een jongetje die net als Tan zijn eigen films wil maken en waarin de regisseur optreedt als zichzelf. Zo’n cultus is misschien wat overdreven, maar een filmmaker om te onthouden is hij zonder meer.