Rotterdammers weten nu hoe opvoeden moet

Relatief veel jongeren in Rotterdam kampen met problemen. Na een jaar van bijeenkomsten in de stad is er nu een lijst met opvoedregels. „Veel ouders maken er een zootje van.”

„Zeg buurvrouw, ik zie jouw kinderen ’s avonds laat nog buitenspelen. Zou je ze niet eens wat eerder binnenroepen?” – „Waar bemoei jij je mee! Ik roep ze wel hoor, maar ze willen gewoon niet naar me luisteren” – „Je kinderen vanuit het raam roepen heeft natuurlijk geen zin. Loop toch even naar ze toe, dan luisteren ze heus wel” – „Tja, misschien heb je gelijk.”

Twee ‘buurvrouwen’ staan op een geïmproviseerd podium in buurthuis De Gaffel in Rotterdam. Voordat ze het podium verlaten kijken ze nog een keer het publiek in. „Zo doen we dat in Rotterdam!” Het publiek bestaat uit ouders, leerkrachten, ouderconsulenten en andere ‘opvoeders’. Vooraan zit wethouder Leonard Geluk (jeugd en onderwijs, CDA), initiatiefnemer van het Rotterdamse ‘opvoedjaar’. Met de bijeenkomst in het buurthuis werd het project vorige week afgesloten.

Sketches van de twee buurvrouwen vormen een rode draad door het programma, waarin wordt teruggekeken op de hoogtepunten van het jaar. De twee vrouwen brengen in beeld wat ouders in Rotterdam zo moeilijk blijken te vinden: hun buurtbewoners aanspreken over de opvoeding. Maar het zou juist meer moeten gebeuren, vinden diezelfde ouders. Het is een van de conclusies die Geluk trekt na wat hij „een geslaagd jaar” noemt.

Het opvoedjaar was vooral een jaar van praten. In een stad waar jongeren met relatief veel sociale problemen kampen, getuige de hoge schooluitval (10.000 per jaar) en de ruim 1.500 tienermoeders. Geluk organiseerde 42 debatten verspreid over alle dertien deelgemeenten, om Rotterdammers met elkaar in gesprek te laten gaan over opvoeding. Tevens introduceerde hij een Opvoedspel om het bewustzijn te vergroten. „Van Rotterdammers mag er een tandje bij als het gaat om de aandacht voor kinderen.”

De centrale vraag bij de aftrap was: wat zijn de basisvoorwaarden voor een goede opvoeding? De gemeente presenteerde de uitkomsten van de debatreeks, samengevat in tien opvoedregels. Zelf noemt de gemeente ze de „tien zaken die Rotterdammers vanzelfsprekend vinden bij de opvoeding van hun kinderen”. Die variëren van ‘Ik bied mijn kind een warm en veilig huis’ tot ‘Ik zorg ervoor dat het kind voor zijn twaalfde seksueel is voorgelicht’.

Maar waar ligt de grens tussen overheidsbemoeienis en burgerlijke vrijheid? Geluk beseft dat de scheidslijn dun is. „Als ik met een van mijn drie kinderen praat over seksualiteit, heeft de overheid daar niets mee te maken”, stelde hij dit voorjaar tijdens een discussieavond. Toch zegt hij „niet de DDR te imiteren” en ook niet aan betutteling te doen. „Maar veel kinderen krijgen domweg geen kansen, omdat hun ouders er een zootje van maken.”

Waartoe verwaarlozing kan leiden, weet Rotterdam sinds het ‘Maasmeisje’. Twee jaar geleden werd het in stukken gesneden lichaam van de 12-jarige Gessica teruggevonden in de Nieuwe Maas. Rotterdam telt ongeveer zesduizend Maasmeisjes en -jongens, rekende Geluk vorig jaar voor. „Opvoeden doen we samen”, is daarom zijn stelregel.

De opgestelde richtlijnen moeten nu in praktijk worden gebracht, zegt Oktay Yuksel, voorzitter van de Stichting Turkse Ouders Rijmond en zelf vader van drie kinderen. „We moeten het goede voorbeeld geven.” Zijn stichting gaat de lijst met vanzelfsprekendheden ook gebruiken bij opvoedcursussen voor Turkse ouders.

Ook voor Geluk betekent de afsluiting van het opvoedjaar niet dat hij met zijn armen over elkaar kan zitten. In een brief aan de gemeenteraad laat hij weten dat er met de uitkomsten van de debatten „een norm” is gesteld. „We moeten de tien vanzelfsprekendheden integreren in het werk van de opvoeddeskundigen zoals scholen en consulenten en bepalen wie wat gaat doen. Maar ook blijven doorpraten is van groot belang. Scholen en ouders moeten met elkaar in gesprek blijven.”

Souad Alhatrach, moeder van een zoon van vijf, erkent dat bemoeienis van anderen niet makkelijk is. „Eerst zeg ik: dat pik ik niet. Maar daarna ga ik nadenken, want opvoeden zou bespreekbaar moeten zijn. Ik denk wel dat het moeilijk is om iedereen hiervan te overtuigen. Vooral de eerste generatie allochtonen heeft moeite met praten over opvoeding. En juist die zag je niet in de zaal.”

Geluk beaamt dat de grootste drempel nog niet genomen is: er zijn nog moeilijk bereikbare gezinnen. Maar hij is positief. „Vergeet niet dat Rotterdamse ouders deze lijst zelf hebben gemaakt. En uiteindelijk gaat het om de rechten van kinderen.”