Ouderwetse gympen in sportinstituut

In 1981 trainde ik als tafeltennisspeelster onder erbarmelijke omstandigheden in een Pekings sportinstituut. Het complex lag destijds verborgen achter een hek en was een wereld op zich. Overal liepen sporters op ouderwetse gympen met pofbroekjes en mouwloze shirtjes waarop op borsthoogte karakters stonden afgebeeld.

Er was niemand die ook maar een woord Engels sprak en de eerste maand had ik dan ook een tolk, meneer Qiu, die leraar Engels was aan het instituut. Ik nam hem nauwelijks serieus omdat hij lachwekkend Engels sprak en na elke zin stamelde: „I am so sorry.”

De zaal lag vierhonderd meter verwijderd van het sporthotel. Gedurende twee maanden stak ik elke dag het pleintje voor mijn hotel over, langs vitrines met communistische sportpropaganda en over een zandweg, afgezet met lage groen hekjes. ’s Ochtends om acht uur was het op de campus een honingraat met af- een aanvliegende sportbijen. De een met een stapeltje boeken onder de bagagedrager van zijn ouderwetse fiets, de ander met een netje ballen, een derde met een thermoskan heet water. En toen zag ik iets dat altijd op mijn netvlies zal blijven. Uit de richting van het zwembad kwamen zwemsters in synchrone tred voorbij. Tot mijn verbijstering hadden ze allemaal wit haar. Van meneer Qiu begreep ik dat het chloorwater zoveel bleekmiddel bevat dat er van hun oorspronkelijk haarkleur niets overbleef.

Hoewel ik nu bijna twee jaar in Peking woon, had ik nog geen bezoek gebracht aan het sportinstituut, hoewel ik wel andere plekken bezocht waar ik door de jaren heen heb getraind. Onbewust heb ik het weerzien misschien uitgesteld omdat ik er een zware tijd heb gehad. Als ik denk aan die tijd zie ik een gesloten China. In de twee maanden dat ik er trainde, heb ik bijna geen buitenlander ontmoet. Telefoneren kon alleen in het postkantoor en dat was te ver weg om door de week heen te gaan. Op zondag stond er een rij van meer dan honderd meter.

Voor een bijschrift bij deze foto ben ik er na bijna 30 jaar weer gaan kijken. Het is even zoeken, want Peking kent verschillende sportuniversiteiten. Ik herinner me de rivier waarlangs ik op eenzame avonden wandelingen maakte en ik herinner me het immense Mao-beeld dat achter een gietijzeren hek de ingang bewaakte. Omdat de afgelopen decennia veel gebouwen zijn weggevaagd, houd ik er rekening mee dat er niet veel overgebleven is van het instituut zoals dat in mijn herinnering voortleeft.

Als de taxi de rivier nadert en naar de poort rijdt, ben ik ontroerd. Ik stap uit en staar met twee handen voor mijn mond minutenlang naar de ingang en de prachtig geasfalteerde weg die erachter ligt. Hoewel veel lommerrijker, kleuriger en beter onderhouden, ziet alles er nog precies hetzelfde uit. Er zijn veel moderne gebouwen bijgekomen, maar de slaapzalen, de eetzaal en de sportaccommodaties zijn behouden gebleven. De toiletten zijn gerenoveerd, zodat de zure urinelucht vermengd met boenwas is verdwenen. Een apart kamertje met het bed van een oude tandeloze conciërge doet nu dienst als krachthonk en het Mao-beeld dat achterin de zaal hing, is van de muur gehaald.

De directeur van het instituut geeft een rondleiding in een speciaal voor de Olympische Spelen ingericht sportmuseum. In het donkere stoffige gebouw zie ik tot mijn grote verrassing een foto hangen van tolk Qiu. Hij moet bijna tachtig jaar zijn en ik ga ervan uit dat hij niet meer leeft. Als ik bij de directeur navraag doe, pakt hij zonder aarzelen zijn mobiele telefoon. Tien minuten later staat een lachende meneer Qiu voor mij. In mijn ogen is hij geen dag ouder geworden. Weer ben ik ontroerd. „I am so sorry”, zegt Qiu als hij mijn tranen ziet.

Deze en komende week staan hier foto’s over sport in China met een verhaal van NRC-correspondent Bettine Vriesekoop, die ook als tafeltennisser veel in China is geweest. Tussen 1977 en 2002 werd ze twee keer Europees Kampioen.