Oosten kan niet zonder Westen

In het Westen bestaat argwaan tegen de staatsinvesteringsfondsen uit het Oosten. Hebben ze soms politieke bedoelingen? In het Midden-Oosten begrijpen ze de argwaan niet.

Het kantoor van LeasePlan Emirates is niet groot. Robin Voogd werkt er sinds anderhalf jaar als financieel directeur. Het is gevestigd op de vierde verdieping van een grauw kantoorgebouw dat nauwelijks opvalt naast het gloednieuwe complex van de islamitische sjeik Zayeduniversiteit in Abu Dhabi, waar alleen vrouwen studeren. „Wij hadden nooit in de Arabische Emiraten gezeten als Mubadala niet een belang in ons had genomen”, zegt Voogd. Mubadala is een van de staatsinvesteringsfondsen van Abu Dhabi.

Autoleasemaatschappij LeasePlan was onderdeel van ABN Amro. In 2004 kocht Mubadala het – samen met het private Saoedische investeringsfonds Olayan (elk een kwart van de aandelen) en Volkswagen (de andere helft). „De Arabische Emiraten stonden bij de directie van LeasePlan in Amsterdam zeker niet in de toptien van landen om te expanderen. Maar Mubadala wilde ook graag dat LeasePlan hier in de Verenigde Arabische Emiraten auto’s zou gaan leasen en we groeien hier nu snel”, vertelt Voogd. Van zijn nieuwe eigenaren merkt hij niet veel. „Als ze je hebben leren vertrouwen, dan laten ze je je gang gaan. Het zijn professionele, jonge managers.”

Voogd rijdt zijn bezoeker naar de Corniche, de boulevard van Abu Dhabi, langs het nieuwe hoofdkantoor van Mubadala. Toen Voogd anderhalf jaar geleden in Abu Dhabi arriveerde, werkten er bij het staatsinvesteringsfonds 140 mensen. Op het moment van verhuizing naar het nieuwe kantoor al tussen de 300 en 400. En er kunnen 1.000 man werken. Ambities genoeg.

Mubadala steekt geld in westerse bedrijven en in een reeks uiteenlopende regionale projecten. Een greep: aluminiumsmelters, energiecentrales, gezondheidscentra, vliegtuigbouw. Het bouwt een campus in Abu Dhabi voor de Sorbonne-universiteit uit Parijs. En het investeert in andere investeringsfondsen. Zo nam het vorig jaar een belang in de Amerikaanse private-equityfirma Carlyle (7 procent).

Even verderop aan de boulevard staat de vorig jaar geopende, veel hogere, zilveren toren van Adia. Dat fonds is met een geschat vermogen van 870 miljard dollar een van de grootste staatsinvesteringsfondsen ter wereld. Het fonds schoot in november nog even de door de kredietcrisis aangeslagen Amerikaanse Citigroup te hulp met 7,4 miljard dollar.

Van de duizend man personeel van Adia komt ruim tweederde uit het buitenland; de lokale managers zijn veelal opgeleid aan Britse en Amerikaanse universiteiten. En ze zijn jong. „Het is frappant te zien hoe jong ze al over zoveel geld beschikken”, zegt Diederik van den Berg, die voor de zakentak van ING vanuit Dubai de Golfregio bestrijkt.

Transparant zijn de Arabische staatsinvesteringsfondsen niet. Ze publiceren geen financiële verslagen. Waar adviseurs met goede ideeën welkom zijn en graag het ritje van anderhalf uur vanuit hun standplaats Dubai maken, zijn journalisten dat bij hoge uitzondering. Zo gaf de top van Adia vorige maand zijn eerste interview – aan het Amerikaanse zakenblad Business Week. Daarin sprak hij haar verbazing uit over de naïviteit waarmee westerlingen bij hem op bezoek komen. Directeur Majed Salem Al Romatithi van Adia: „Soms ontmoeten we seniormanagers die binnenkomen en die denken na een uur met een investering van 1 miljard dollar op zak weg te kunnen lopen. Ze onderschatten ons.” Of bestuursvoorzitter en zoon van de emir van Abu Dhabi, sjeik Ahmed bin Zayed Al Nahayan: „Dat we geografisch op grote afstand gevestigd zijn betekent nog niet dat we in kwaliteit op grote achterstand staan.”

Hun fondsen worden veelal professioneel, met een langetermijnvisie en besef van hun verantwoordelijkheid geleid, bevestigt consultant Chris Figee van McKinsey. Maar zij vragen zich wel af waar ze de argwaan in het Westen aan hebben verdiend. „Vertel ons dan maar waar het fout is gegaan, zeggen ze.”

Sinds een analist van zakenbank Morgan Stanley een jaar geleden in kaart bracht dat alle staatsinvesteringsfondsen in de wereld 2.900 miljard dollar te investeren hebben, is er in veel westerse hoofdsteden onrust ontstaan. Gaan achter de investeringen misschien ook politieke bedoelingen schuil? In Europa schermen regeringen met maatregelen om strategische belangen veilig te stellen (Duitsland), maar er zijn nog weinig concrete maatregelen getroffen, ook niet door Brussel, dat een Europese aanpak bepleit. Alleen de roep om transparantie is groot.

Angst voor de staatsinvesteringsfondsen is overdreven, constateerde de Amerikaanse hoogleraar Christopher Balding van de University of California in een vorige maand gepubliceerd onderzoek naar hun beleggingsportefeuilles. „Hun impact op de financiële markten is minder groot dan gedacht”, schreef hij. Veel van hun vermogen investeren ze in eigen land. En uit een diepgaande analyse van hun buitenlandse beleggingen maakt hij op dat ze zich „tot dusver als zeer rationele, rendementsgedreven beleggers hebben gedragen, waarbij ze hun beleggingsportefeuille verdeeld hebben over verschillende type beleggingen en verschillende regio’s in de wereld”, concludeerde Balding. Het gaat ze om rendement, niet om strategische bedoelingen, stelt hij.

Toch heeft de westerse argwaan enig resultaat. Adia is met het staatsinvesteringsfonds Temasek uit Singapore, samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF), begonnen een gedragscode te ontwikkelen om aan die roep om transparantie tegemoet te komen. Staatsinvesteringsfonds KIA uit Koeweit heeft echter aangegeven zich daar niet te veel van te zullen aantrekken. Onlangs zei topman Bader Al Sa’ad van KIA dat hij het eigen Koeweitse model van verantwoording afleggen afdoende acht.

De bankiers en adviseurs die door staatsinvesteringsfondsen worden ingeschakeld, merken dat de fondsen zich meer aan het richten zijn op andere opkomende markten. Dat heeft voor een deel te maken met het ontwijken van alle discussies, maar ook met hun zoektocht naar het hoogste rendement. „Waarom zouden ze zich alle problemen in Europa en de VS op de hals halen voor een matig rendement, terwijl de groeivooruitzichten elders veel beter zijn”, zegt Ragnan Meitern, zakenbankier bij Citigroup. „Selectief zullen ze nog in de VS en Europa investeren. Maar alleen als er mogelijkheden zijn om een goed rendement te halen.”

McKinsey schatte begin dit jaar naar aanleiding van gesprekken met staatsinvesteringsfondsen dat deze de komende vijf jaar zeker 250 miljard dollar in Aziatische markten zullen steken en grotere interesse hebben om te investeren in bijvoorbeeld Chinese bedrijven als Haier, Huawei en Lenovo.

Maar zonder de westerse kapitaalmarkten kunnen de fondsen niet. „Er is een besef van wederzijdse afhankelijkheid”, stelt Figee van McKinsey. „Voor het Westen is het wel heel prettig als een deel van het oliegeld terugkomt. Maar de fondsen uit het Midden-Oosten hebben ook de westerse beurzen nodig om al hun kapitaal kwijt te kunnen. Op de Aziatische beurzen krijgen ze al dat geld niet weggezet.”

Dit is het tweede deel van een serie over de ambities van de Golfstaten, voor het eerste deel zie nrc.nl/golfstaten