Om de Verloren Zonen thuis te krijgen

Vandaag ruilen Israël en Hezbollah gevangenen.

Daar heeft Israël een moeilijke beslissing voor moeten nemen: een moordenaar komt vrij.

Het was al een paar keer geoefend, maar dan met minder bekende spionnen en soldaten. Deze ochtend om negen uur spant het er echt om. Volgens afspraak staan dan aan de grens met Libanon, bij het plaatsje Rosh Hanikra, vijf Libanezen. Ze zaten gevangen in Israël.

Onder hen bevindt zich Samir Qantar, in Israël bijgenaamd ‘Het Monster’, een van de meest besproken gevangenen die het land heeft. Ook tientallen lichamen, waaronder die van acht Hezbollahstrijders gaan mee.

Als zij de grens met Libanon oversteken, keren De Verloren Zonen terug naar Israël: de gegijzelde militairen Ehud Goldwasser en Eldad Regev. Vermoedelijk leven ze niet meer.

Met de ruil tussen Israël en de shi’itische beweging Hezbollah komt een einde aan een bijzonder hoog opgelopen debat in Israël. Het ging, zo bleek, om veel meer dan alleen de vrijlating van twee militairen. Het ging de laatste maanden over goed en kwaad, moraal, recht, joodse identiteit.

Regev en Goldwasser zijn, net als de in 2006 door Hamas ontvoerde korporaal Gilad Shalit, iconen. Ze staan in het publieke debat voor het feit dat sommige joden nog steeds niet vrij zijn – een heikel thema in Israël, waar joden ieder jaar met Pesach vieren dat ze uit Egypte zijn bevrijd. Afbeeldingen van de militairen zijn overal in het land te vinden: op bumperstickers, vlaggetjes, spandoeken.

Samir Qantar, op zijn beurt, is ook een icoon geworden. Maar dan een die de boze buitenwereld vertegenwoordigt, die uit is op de vernietiging van de joodse staat. Tot in detail beschrijven kranten en televisierubrieken keer op keer de reden van zijn hechtenis: de infiltratie, in 1979, met een groep militanten in het plaatsje Nahariya, de moord op Danny Haran en zijn vierjarige dochter Einat. Een tweede kind, een meisje van twee, kwam om het leven omdat de moeder het zo dicht tegen zich aan had geklemd dat het stikte.

In dit klimaat moest het kabinet van premier Ehud Olmert gisteren een zakelijke beslissing nemen: weegt een vrijlating van Qantar en vier andere Libanezen op tegen de terugkeer van Regev en Goldwasser? Ja, besloot het kabinet na maanden wikken en wegen. Met Duitse bemiddeling – Israël praat officieel niet met Hezbollah – is de ruil de afgelopen maanden in gang gezet.

Hier gaat het werkelijk om: hoever moet je gaan om twee gegijzelde militairen terug te krijgen, zelfs als ze niet meer leven? Heel ver, vindt de Israëlische regering doorgaans. De afgelopen jaren zijn veel vaker akkoorden met vijanden gesloten, waarbij een of meer lichamen werden geruild tegen tientallen gevangenen.

Het past in de Israëlische krijgsopvattingen, zoals die is beschreven door oud-generaal en oud-premier Ariël Sharon. Militairen, ook als ze gewond of dood zijn, moeten altijd naar het eigen grondgebied teruggebracht worden. President Shimon Peres verwees gisteren naar deze, volgens hem joodse, oorlogsregel. Het is de „morele en spirituele plicht” van de joodse staat om haar zonen terug te krijgen, zei hij.

Maar toch, deze ruil is anders dan alle andere. De gijzeling van Goldwasser en Regev was de directe aanleiding om in de zomer van 2006 een oorlog tegen Libanon te beginnen. Deze oorlog kostte aan honderden Libanezen en tientallen Israëliërs het leven, zonder dat het doel werd bereikt. Hezbollah verklaarde zichzelf tot morele winnaar van de oorlog. De afkoopsom van de militairen is een pijnlijke herinnering aan deze zomer.

Oud-legerleider Moshe Yaalon zei vorige maand dat een ruil met Hezbollah daarom niet mag plaatsvinden. Dat was opmerkelijk, want uitgerekend onder Yaalon ruilde Israël in 2003 nog met Hezbollah vierhonderd gevangenen voor de lichamen van drie militairen. Maar deze zaak, zei Yaalon, is anders. „De prijs die van ons gevraagd wordt, is vele malen hoger dan de prijs van het verlies van een ontvoerde soldaat.”

Jeffrey Goldberg, een in Israël veelgelezen Amerikaanse joodse schrijver en oud-militair, is het met Yaalon eens. Samir Qantar, schreef hij in het blad Atlantic Monthly, is gewoonweg te slecht om ooit vrij te laten. „Qantar is misschien het verschrikkelijkste wezen in een Israëlische gevangenis, de man die een schedel van een joods meisje tegen een rots verbrijzelde.”

Er zijn ook andere bezwaren. Qantar zal bij terugkeer in Beirut een heldenontvangst krijgen. Hij zal daarmee de morele winnaar worden van de ruil. Wie weet is hij van plan opnieuw Israël aan te vallen.

En: gijzeling van Israëliërs loont kennelijk. De gijzeling door Hamas (Shalit) en door Hezbollah (Regev en Goldwasser) heeft Israël twee jaar ontwricht. En als beloning komt Samir Qantar ook nog vrij.

Er loopt tot frustratie van Israël ook nog een andere gijzeling, waar geen enkel schot in zit. In 1986 verdween militair Ron Arad in Libanon. Van hem is taal noch teken vernomen. Als onderdeel van de ruil heeft Israël een paar foto’s gekregen waarop Arad te zien is. Maar meer informatie krijgt Israël niet, laat staan dat Arad wordt vrijgelaten.

Volgens Yossi Alpher, voormalig adviseur van minister Ehud Barak van Defensie en nu een invloedrijk politiek analist, kunnen Israëls vijanden gemakkelijk misbruik maken van „joodse waarden”, zoals de bereidheid om alles te betalen voor een gekidnapte militair. „Je kunt het een kracht of een zwakte van de Israëlische samenleving noemen”, zei hij deze week in een interview. „Ik noem het een kracht.”

Vergeet niet, zei Alpher, dat Qantar wel bijna dertig jaar in de gevangenis heeft gezeten. Hij heeft een straf gehad, zij het niet de zwaarste. „Ik maak me meer zorgen als we straks Hamas-moordenaars vrijlaten in ruil voor Gilad Shalit. Sommigen hebben maar een paar jaar gezeten.”

„Een vorm van marteling voor Israëliërs”, noemt columnist Bradely Burston van de linkse krant Haaretz zijn vrijlating. En toch, vindt hij, moet de ruil doorgaan, hoe pijnlijk het ook is. „Misschien is het alleen maar hier goed voor: als we onze soldaten naar de oorlog sturen, kunnen de officieren hen in de ogen kijken en oprecht zeggen dat Israël er werkelijk alles aan doet om hen weer naar huis te brengen.”

Dit besef is volgens columnist Burston het laatste dat de marteling nog kan verzachten. „Maar het is misschien ook wel de essentie van wie wij zijn.”