‘Joodse zonen moeten terug’

De ruil van een Libanese terrorist tegen twee dode Israëlische militairen heeft in Israël geleid tot een fel debat. Het ging over goed en kwaad en over Joodse identiteit.

Met de ruil tussen Israël en de Libanese beweging Hezbollah komt een einde aan een bijzonder hoog opgelopen debat in Israël. Het ging om veel meer dan alleen de vrijlating van een moordenaar in ruil voor twee dode militairen. Het ging de laatste maanden over goed en kwaad, moraal, recht, Joodse identiteit.

De Israëlische militairen, Regev en Goldwasser, zijn net als de in 2006 door Hamas ontvoerde korporaal Gilad Shalit iconen. Ze staan in het publieke debat voor het feit dat sommige Joden nog steeds niet vrij zijn – een heikel thema in Israël, waar Joden ieder jaar met Pesach vieren dat ze uit Egypte bevrijd zijn.

De moordenaar, de Libanees Samir Qantar, is op zijn beurt ook een icoon geworden. Maar dan één die wat Israël betreft het kwaad vertegenwoordigt, die uit is op de vernietiging van de Joodse staat – zoals oer-slechterik Haman in de ‘Hebreeuwse bijbel’ Tenach. Kranten en televisierubrieken noemen hem consequent Het Monster. Tot in detail beschrijven zij keer op keer waarom hij gevangen zat: de infiltratie, in 1979, met een groep militanten in het plaatsje Nahariya, de moord op Danny Haran en zijn vierjarige dochter Einat. Een tweede kind, een meisje van twee, kwam om het leven omdat de moeder het zo dicht tegen zich aan klemde dat het stikte.

In dit klimaat moest het kabinet van premier Olmert gisteren een zakelijke beslissing nemen: weegt vrijlating van Qantar en vier andere Libanezen op tegen terugkeer van de resten van Regev en Goldwasser? Ja, besloot het kabinet na maanden wikken en wegen.

Hier gaat het werkelijk om: hoe ver moet je gaan om twee militairen terug te krijgen, zelfs als ze niet meer leven? Heel ver, vindt de Israëlische regering doorgaans. De afgelopen jaren zijn vaker deals met vijanden gesloten waarbij een of meer lijken werden geruild tegen tientallen gevangenen. Het past in de Israëlische krijgsopvattingen, zoals beschreven door oud-generaal en oud-premier Sharon. Soldaten, ook als ze dood zijn, moeten naar het eigen grondgebied teruggebracht worden. President Peres verwees gisteren naar deze, volgens hem Joodse, oorlogsregel. Het is de „morele en spirituele plicht” van de Joodse staat om zijn zonen terug te krijgen, zei hij.

Maar deze ruil is anders dan de andere. De gijzeling van Goldwasser en Regev was de directe aanleiding om in de zomer van 2006 een oorlog tegen Hezbollah te beginnen. Deze oorlog kostte aan meer dan duizend Libanezen en tientallen Israëliërs het leven, zonder dat het doel – vernietiging van Hezbollah – bereikt werd. Hezbollah riep zichzelf uit tot morele winnaar. De afkoopsom van de militairen is een pijnlijke herinnering aan deze zomer.

Oud-legerleider Moshe Yaalon zei in juni dat daarom geen ruil met Hezbollah mag plaatshebben. Dat was opmerkelijk, want onder Yaalon ruilde Israël in 2004 met Hezbollah ruim vierhonderd gevangenen voor de lijken van drie militairen. Maar deze zaak, zei Yaalon, is anders. „De prijs die van ons gevraagd wordt, is vele malen hoger dan de prijs van het verlies van een ontvoerde soldaat.”

Jeffrey Goldberg, een in Israël veelgelezen Amerikaans-Joodse schrijver en oud-militair, is het met Yaalon eens. Samir Qantar, schreef hij in het blad Atlantic Monthly, is te slecht om ooit vrij te laten. „Qantar is misschien het verschrikkelijkste wezen in een Israëlische gevangenis, de man die een schedel van een Joods meisje tegen een rots verbrijzelde.”

Er worden ook andere bezwaren geuit. Qantar krijgt bij terugkeer in Beiroet een heldenontvangst. Hezbollah zal daarmee de morele winnaar worden van de ruil, en gijzeling van Israëliërs loont kennelijk. De gijzeling door Hamas (Shalit) en door Hezbollah (Regev en Goldwasser) heeft Israël twee jaar ontwricht. En als beloning komt Samir Qantar ook nog vrij. Er loopt tot frustratie van Israël ook nog een andere zaak, waar geen enkel schot in zit. In 1986 verdween militair Ron Arad in Libanon. Van hem is taal noch teken vernomen. Als onderdeel van de ruil heeft Israël een paar foto’s gekregen waarop Arad te zien is. Meer informatie krijgt Israël niet.

Volgens Yossi Alpher, oud-adviseur van minister Barak van Defensie en nu invloedrijk politiek analist, kunnen Israëls vijanden makkelijk misbruik maken van „Joodse waarden”, zoals de bereidheid alles te betalen voor een gevangen soldaat. „Je kunt het een kracht of zwakte van de Israëlische samenleving noemen”, zegt hij. „Ik noem het een kracht.”

Een vorm van marteling voor Israëliërs, noemt columnist Bradely Burston van de krant Ha’aretz zijn vrijlating. En toch, vindt hij, is het goed dat de ruil is doorgegaan. „Misschien is het alleen maar hier goed voor: als we onze soldaten naar de oorlog sturen, kunnen de officieren hen in de ogen kijken en oprecht zeggen dat Israël er werkelijk alles aan doet om hen weer naar huis te brengen.” Dit besef is volgens Burston „misschien ook wel de essentie van wie wij zijn”.