Hij boorde zijn wijsvinger langzaam in zijn linkerneusgat

Deze treinreis zou anders zijn. Ik zou nu eens rustig en volwassen op mijn dure, gereserveerde zetel blijven zitten, en niet weer uitwijken naar een klapstoeltje in de hal omdat ik ‘niet tegen mijn buren kon’. De laatste keer had ik zelfs staand geslapen – dat kan, weet ik nu, ook als je geen paard bent. Maar zo’n burenallergie heeft iets kleinzieligs.

Op mijn lange trip naar München nam ik daarom met een glimlach plaats op de vrije stoel bij een Indiase familie: vader, moeder en een volwassen dochter met al wat grijzend haar. Van de moeder was ik echt onder de indruk. Wijs en sereen zat ze erbij. Armen over elkaar. Rode stip tussen de ogen. Grijze knoet. Ze leek een relikwie, een vrouw op de foto’s van Aletta Jacobs’ kosmopolitische vriendinnenkringen. Ik zakte onderuit voor een tukje.

Toen begon het geleuter. De vrouw had een verhaal te vertellen, en bleek over een grommend, vet stemgeluid met bijbehorende lach te beschikken – denk Gordon, niet Gandhi. Haar man zat zwijgend over zijn sudokuboek gebogen en reageerde nergens meer op, maar haar dochter luisterde braaf. Uit de Engelse passages begreep ik dat hier geen spirituele wijsheden werden overgedragen.

„Die zijn voor twee ton het schip in gegaan. Twee ton! Heh heh heh. Eigen schuld.” „Die had Parkinson. En geléden dattie heeft, geléden... Maar hij was altijd al een zenuwpees, en die krijgen het eerder.” „Vals, vals, jij speelt vals!”

Dat laatste zei de vrouw tegen haar echtgenoot, met een achterdochtige blik op zijn sudokuvorderingen. Bij wijze van antwoord stak hij zijn wijsvinger op en boorde die langzaam in zijn linkerneusgat. Daarna in zijn rechter. Hij deed er verder niets mee.

Het was tijd voor koffie, besloot de dochter, en ze hield een Duitse treindame met paardenstaart aan. Drie geurige kartonnen gevaarten verschenen. „Hoeveel?”, vroeg de vader. „Oóóóh…”, kreunde hij toen hij het antwoord hoorde. „Is er suiker? En melk?”, vroeg de dochter. „Mijn ouders hebben meer suiker en melk nodig.”

Even was het stil. Iedereen was zakjes aan het scheuren en cupjes aan het opentrekken. De vader was als eerste klaar.

„Dank u wel”, zei hij tegen niemand in het bijzonder. Hij snoof. „Dit is goeie, sterke koffie.” En hij nam een slok met zoveel lucht dat de hele coupé er getuige van was.

Ik stond op, en liet de familie achter.

Aaf heeft tot 11 augustus vakantie