Grotten zijn gaaf, maar terrasjes waren stom

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag deel 3: Terug naar het Valkenburg van 1981.

Eigenlijk hadden mijn ouders het te druk voor vakanties. Elke twee jaar moest er worden verhuisd omdat er iets nieuws moest worden opgestart, want zo waren ze, en in 1981 hadden mijn ouders de winkel in Slotermeer en eerst zouden we wel en toen weer niet op vakantie gaan, want de winkel dichtdoen voor een week zou al fataal kunnen zijn, maar we gingen uiteindelijk toch, en dan goedkoop, want we waren arm. Dus het werd Limburg. Reizen naar het buitenland was in 1981 nog per definitie duur. We hadden een appartement gehuurd in een grote boerderij – de boer had de hoeve verbouwd en er konden een stuk of zes gezinnen vakantie vieren. Mijn ouders en mijn zus en ik zaten in het oude varkenskot. Althans: dat is de grap die mijn vader maakte, denk ik. Mijn vader maakte vaak flauwe grappen die ik voor waarheid aannam en ik heb nog steeds de neiging te denken dat we inderdaad in het varkenskot zaten, want mijn vader wist alles, ook hoe verbouwde varkenskotten te herkennen waren.

De boerderij had een watermolen waar de boer graag zijn toeristen mee imponeerde. Eens per week zette hij ’m aan en dan riep hij iedereen erbij. Verder was er niet veel te doen. Ik denk dat we heel veel gewandeld hebben, in die week. En ’s avonds reden we naar Valkenburg. We aten in ons verbouwde varkenskot, want uit eten was te duur, maar ’s avonds wilden mijn ouders nog iets mondains doen, en dat werd dus op een terrasje zitten in Valkenburg.

Ik vond Valkenburg prachtig.

Maar verder was ik gewoon tien en vond ik terrasjes stom, natuurlijk. Gelukkig was er vanaf vrijwel elk terras uitzicht op de kasteelruïne. Ik vroeg mijn ouders heel vaak of we er nog een keer naartoe gingen. Ze vonden dat één keer genoeg was. En de grotten? Nee, ook de grotten hadden ze wel gezien.

Nu ben ik 37 en ik kan zo vaak naar de kasteelruïne als ik wil. Dus ik neem de trein naar Maastricht, en in Maastricht stap ik over op een treintje van Veolia, waar een mevrouw met een groepje jongetjes van ruïneliefhebbende leeftijd staat. De jongetjes hebben al veel zon gehad en hebben last van reisjesopwinding. Bij mij jeukt het ook een beetje. Valkenburg! De kasteelruïne! De grotten!

Het treintje boemelt. Veolia hangt reclame voor Maggi kipovenschotel op om de exploitatiekosten rond te krijgen.

Het stationsgebouwtje is gebouwd van mergel en ik ben meteen overtuigd: Valkenburg.

Op een plattegrond wordt de kasteelruïne aangegeven. Ik wandel naar het centrum, en voor mij loopt een ouder echtpaar met trolleykoffertjes. Valkenburg is een vakantiebestemming, zo blijkt.

In de bocht die naar de Cauberg leidt zitten de terrasjes waar we vroeger zaten, en ik moet zoeken naar de ruïne, en ik zie een ingang tussen twee restaurants. Binnen zijn er twee balies: een voor koffie, en een voor kaartjes, en er is één meisje om beide te bedienen. Ze is nu koffie aan het inschenken, en ik ga bij de kaartjesbalie geïnteresseerd alle teksten lezen tot ze mij komt helpen. Ze heeft blauwe ogenschaduw met glitters. Ik koop een combikaart. Ze legt me uit hoe ik bij de grotten kom als ik de ruïne heb gezien.

Als ik weer buiten sta, kijk ik naar het kasteel. Ik moet nog een eind omhoog. Ik zucht, en loop om de ruïne heen, rechtstreeks naar de grotten.

Bij de ingang staan meer mensen te wachten: één ouder stel, twee jonge stellen waarvan de jongens in Golfjes rijden en de meisjes een drieluikreliëfschilderij voor boven de witte leren bank hebben uitgezocht, en een groepje van drie giechelende meisjes.

De gids komt aanlopen met een gaslamp en neemt ons mee naar binnen. Binnen vertelt hij dat hij Remi heet en dat we die naam vast weleens eerder hebben gehoord, maar dat-ie vandaag gelukkig niet alleen is. Ik bereid me voor op een reeks grapjes die hij vier keer per dag maakt en dan bedenk ik dat hij aan het eind van de rondleiding fooi gaat willen hebben en ik besef dat ik volwassen ben: mijn vader was altijd de man die fooi gaf, fooi geven was iets mannelijks, zoals autorijden en oliebollenbeslag maken. Nu ben ik de man die zulke dingen moet doen.

Tijdens de rondleiding maakt hij inderdaad een reeks grapjes die hij vier keer per dag vertelt.

Ergens bij het eind van de rondleiding, waar de belangrijkste attractie houtskooltekeningen zijn, wijst de gids op een gedichtje dat iemand – een van zijn voorgangers, waarschijnlijk – ooit op de muur heeft gekrast. De strekking van het gedichtje is: vergeet de gids niet. In het halfdonker lopen we naar de uitgang en alle mannen in het gezelschap hebben hun portemonnee gepakt en we zoeken geld. Ik voel een euro tussen mijn vingers en besluit dat dat genoeg is. Toch voel ik me bekeken als ik het muntstuk in hand van de gids laat vallen: alle ogen van alle gidsen in de wereld branden in mijn rug. Je vader, die kon fooien geven.

Het daglicht is fel.

Ik loop terug het centrum in en ik ga op een terrasje in de Caubergbocht zitten. Ik bestel een biefstuk. Vroeger waren we hier te arm voor, maar wat geld betreft doe ik het beter dan mijn vader, kennelijk. De biefstuk is een gruwel. Ik durf er niets van te zeggen als de serveerster vraagt of het smaakt.

Bij een souvenirwinkel koop ik een kaartje voor mijn vriendin. Als ik afreken, zie ik een bak met wandelstokken staan, en ik weet weer wat mijn eigen souvenir was: zo’n wandelstok, met een serie plaatjes erop die aangaven waar de wandelaar geweest was. Ik had er een uitgezocht met een serie van plekken waar ik juist niet was geweest – zelfs Valkenburg stond er niet op. Dat was niet m’n bedoeling; ik had de wandelstok uitgezocht op de mooiste plaatjes. De rest van de vakantie ging ik nergens naartoe zonder die stok. Ik heb ’m niet meer, hij is bij een van de volgende verhuizingen verloren gegaan, maar dat er nooit een Valkenburgplaatje op heeft gezeten is een gemis, natuurlijk. Om het goed te maken, koop ik er nu een. Ik krijg de ansichtkaart, een postzegel en het plaatje in een zakje. Buiten ga ik op een muurtje zitten en schrijf het kaartje, plak de postzegel erop. Tien minuten later vind ik een brievenbus. Ik ben vergeten dat mijn Valkenburgplaatje ook nog in het zakje zat, en ik gooi het zakje in een vuilnisbak, en ik loop naar het station.