Geef eens een verklaring

De Democratische presidentskandidaat Barack Obama heeft gisteren in een uitgebreide toespraak in Washington, waaruit hierboven wordt geciteerd, nog eens uiteengezet waarom het nodig is de Amerikaanse troepen uit Irak terug te trekken, liefst binnen zestien maanden. Wat hebben wij daarmee te maken?, zult u misschien vragen. Irak is voor ons toch een afgehandelde zaak? Als u dat denkt, vergist u zich. Irak hoort tot het complex van de Amerikaanse buitenlandse politiek, dat het hele Midden-Oosten, Pakistan en Afghanistan omvat. En ons kabinet heeft twee jaar geleden besloten een ‘vredesmissie’ naar Afghanistan te sturen. Binnen NAVO-verband zijn sinds 2006 ongeveer 1.600 Nederlandse soldaten bezig met de wederopbouw, waarbij steeds meer moet worden gevochten. In hun ondoorgrondelijke wijsheid hebben minister van Defensie Eimert van Middelkoop en een meerderheid van de Tweede Kamer vorig jaar besloten dat deze missie tot 2010 wordt verlengd, onafhankelijk van de vraag wie op 4 november tot de volgende president van de Verenigde Staten zal worden gekozen. Daardoor zijn we in dit verband met handen en voeten aan de Amerikaanse buitenlandse politiek gebonden – welke vorm die ook zal krijgen.

Intussen weten we dat George W. Bush zal worden opgevolgd of door John McCain of Barack Obama. Als McCain wordt gekozen wil hij tot het einde van zijn ambtstermijn, 2013, in Irak blijven. Obama schrijft dat de oproep van de Iraakse premier Nouri al-Maliki aan Washington om een tijdschema voor de terugtrekking op te stellen „een geweldige kans” betekent. De ‘surge’, de versterking van de Amerikaanse troepen met 30.000 man onder commando van generaal Petraeus ontwikkelt zich tot een betrekkelijk succes. Betrekkelijk, omdat herstel van Irak tot een weerbare, onafhankelijke staat niet betekent dat Washington daarmee een trouwe bondgenoot in het Midden-Oosten gewonnen heeft. Jegens Iran, aartsvijand van het bewind van Bush, volgt Maliki zijn eigen politiek van toenadering. Maar wel heeft de surge meer stabiliteit gebracht.

Het belangrijkste argument voor Obama om de troepen binnen een redelijke termijn terug te trekken is dat daardoor ruimte voor een nieuwe grote strategie wordt gecreëerd. Nadat in 2001 de Talibaan in Afghanistan waren verslagen en Al-Qaeda uitgeschakeld, begonnen de voorbereidingen tot de oorlog tegen Saddam Hussein die onvermijdelijk eindigden in de aanval. We zijn nu geneigd het te vergeten, maar het kabinet-Balkenende II heeft daar braaf aan meegedaan, eerst passief, daarna door het sturen van soldaten. In Den Haag is het taboe om daar nog over te praten. De oorlog in Irak dreigde zich voor de Amerikanen tot een catastrofe te ontwikkelen. Laten we hopen dat de ‘surge’ daaraan een eind heeft gemaakt.

Wel heeft deze oorlog het uiterste van de Amerikaanse strijdkrachten gevergd. Er was geen mankracht en geld meer voor Afghanistan. In de jaren van vergeefse strijd in Irak werden het front en de wederopbouw in Afghanistan voor een groot deel aan de NAVO overgelaten. De meeste leden van het eertijds machtige bondgenootschap bedankten voor de eer om troepen naar deze oorlog te sturen. Nederland niet; Den Haag deed meer dan gevraagd werd, tekende blindelings voor twee jaar bij. Intussen had de opbouwmissie zich al ruimschoots tot een vechtmissie ontwikkeld.

De oorzaak daarvan is dat de Talibaan zich met succes in het ontoegankelijke grensgebied met Pakistan hebben gereorganiseerd. Al anderhalf jaar verschijnen daarover in de serieuze media met grote regelmaat onheilspellende berichten. Lees de uitvoerige reportage, ook in de Herald Tribune van gisteren. Het is een buitengewoon ingewikkelde situatie, maar voor de verslaggevers staat één ding vast: de Talibaan zijn in opmars. Tot slot wordt een stamhoofd geciteerd: „Als het zo verder gaat, duurt het geen twee jaar meer of ze beginnen aan Amerika zelf.”

Bij alle berichtgeving uit deze regio hebben we ons de afgelopen zeven jaar leren afvragen wat er van waar is. En dan blijkt dat over het geheel genomen de pessimisten vaker het gelijk aan hun kant hebben. Het kan zijn dat aan kleine sectoren van het chaotisch front soms successen worden geboekt. Er wordt hier en daar een school geopend, een bron geslagen, er komen meer getrainde Afghaanse soldaten. Dergelijke vooruitgang verleidt dan bewindslieden en bevelhebbers tot optimistische uitspraken. Dit is de politieke vorm van het pars pro toto. Een onderdeel wordt als maatgevend voor het geheel beschouwd. Maar het tegendeel is waar. Als er plaatselijke, incidentele vooruitgang wordt bereikt, betekent dit niet dat het Westen aan de winnende hand is. Op z’n best is er een wankele en chaotische status quo die door de verantwoordelijken aan het publiek als vooruitgang wordt verkocht. Dat het publiek geneigd is dit te geloven komt voor rekening van de officiële voorlichters en de onkritische tot volgzame media.

Onze kleine buitenlandse politiek die in de grote strategische vraagstukken het beleid van George W. Bush volgt, is in overeenkomstige verhoudingen op dezelfde manier vastgelopen. Wordt John McCain straks gekozen dan blijft, zoals het er nu uitziet, in grote trekken alles bij het oude. Als Barack Obama de volgende president wordt, kunnen we ingrijpende, misschien zelfs principiële veranderingen verwachten. Zal ons kabinet dan die wending volgen of zich van de nieuwe lijn afkeren? (Wat consequent zou zijn). En wat zal dan, in beide gevallen, de rechtvaardiging zijn? Neem de buitenlandse politiek serieus. Dat doen per slot van rekening de soldaten ook. Die hebben zich ertoe verplicht.

Reageren kan op nrc.nl/hofland (Reacties openbaar na goedkeuring door redactie).