Dit gebeurde toen ik daar was, in april 1979

Met deze ruil laat Israël één van zijn bekendste gevangenen vrij. Leon de Winters vorige maand verschenen roman Het recht op terugkeer bevat een passage die goed weergeeft op welke toon in Israël over deze Samir Qantar (in het boek gespeld als Kuntar) wordt gesproken. Het gaat om een gesprek tussen de hoofdpersoon, Bram Mannheim, en zijn vader Hartog Mannheim.

Hartog keek naar zijn wijnglas en hield het dunne kristallen steeltje tussen duim en wijsvinger vast. Bram wist dat hij het kon breken. Hartog was een opvliegende man met handen die zo nu en dan, in een vlaag van woede, iets kapot moesten slaan.

Maar hij hield zijn woede onder controle: ‘Ik neem aan dat de naam Samir Kuntar je niets zegt, toch?’

‘Nee’, mompelde Bram, beseffend dat zijn vader hem ging wegspelen. Hartog ging nu zijn kennis etaleren.

‘Kuntar, voornaam Samir. Een Droez, lid van het Palestijns Bevrijdingsfront. Tweeëntwintig april 1979. Jij was acht, ik neem je niet kwalijk dat die naam je niets zegt. Ik was toen ook al vaak in Israël, Technion in Haifa, bij het Weizmann-instituut in Rehovot. Ik was in Israël, op die tweeëntwintigste. Jij denkt dat ik altijd zo dacht zoals ik nu denk, toch?’

‘Ik heb geen idee’, zei Bram, die zich afvroeg hoe zijn vader hem wilde raken.

‘Ik dacht een beetje zoals jij. Tot die dag. Niet helemaal hetzelfde, want jij bent echt nog een stuk naïever dan ik toen was, maar het komt overeen.’

‘Ik ben dus naïef.’

‘Ja, je bent naïef. En luister even, wil je?’

Bram knikte, nu echt woedend.

‘De Droez Samir Kuntar hoorde bij een groep van vier man die met een boot uit Libanon kwam gevaren. Hielden ze van varen? In ieder geval wel op die dag. Een rubberbootje met een buitenboordmotor van vijfenvijftig pk, het haalde achtenvijftig kilometer per uur – dat is snel, ja, ik ken de details. Ze voeren op Nahariya, een plaatsje tussen de grens met Libanon en Akko. Rond middernacht kwamen ze aan land, schoten meteen een politieman dood die daar toevallig opdook. In Nahariya gingen ze in groepjes van twee verder. Onze vriend Kuntar ging het huis binnen van de familie Haran. De familie was thuis: vader Danny, moeder Smadar, en hun twee dochtertjes Einat van vier en Yael van twee. Moeder Smadar slaagde erin zich met Yael te verstoppen in de kruipruimte boven de slaapkamer. Ze was bang dat Yael zou gaan huilen, dus ze hield haar hand op Yaels mond. Onze vriend Samir Kuntar dwong Danny en Einat mee te gaan naar het strand. Voor de ogen van zijn dochter schoot hij Danny door zijn hoofd, hield hem daarna lang onder water omdat-ie zeker wilde weten dat Danny dood was. Daarna sloeg hij met stenen die daar op het strand lagen, en daarna met de kolf van zijn geweer, Einat de schedel in. En daar boven in die kruipruimte had Smadar in haar angst haar dochtertje Yael gesmoord –’

Hartog keek naar buiten, naar de zeventiende-eeuwse Munttoren aan de overkant van het water. De klok sloeg drie keer.

‘Van de vier terroristen grepen de joden er twee. Samir Kuntar en Ahmed al-Abras. Ze kregen allebei een paar keer levenslang, na een proces, ja, ze kregen een proces. Ik herinner me een interview in een krant met moeder Smadar. Ze vertelde dat ze daar bovenin lag met haar kind, in die kruipruimte, en dat ze dacht: net als mijn moeder tijdens de Holocaust. Vier jaar geleden werd Ahmed al-Abras geruild tegen drie Israëlische soldaten die daar in Libanon gevangen zaten. Elfhonderdvijftig Arabieren tegen drie joden. Al-Abras mocht aan een nieuw leven beginnen. Waarom vertel ik dit?’

Hij keek Bram secondenlang aan: ‘Ik vertel dit omdat Samir Kuntar door veel Arabieren als een held wordt beschouwd. Een man die een meisje getuige laat zijn van de moord op haar vader, en daarna de schedel van het meisje verbrijzelt. Hij is een held in Arabische ogen. Die perverse, volstrekt immorele psychopaat is een held in Libanon en in de Palestijnse steden. Dit gebeurde toen ik daar was, in april 1979. Dus lul niet over vrede en over ‘praten met je vijand’. Je vijand is een beest. Hij zal als-ie de kans krijgt je ingewanden vreten. En als je daar niet leeft, als je de ervaring zelf niet hebt, dan lul je als een kip zonder kop.’

Bram moest iets zeggen: ‘Ik lees er dag en nacht over. Ik weet waar ik het over heb.’

‘Je hebt geen idee’

Fragment uit: ‘Het recht op terugkeer’,Uitgeverij De Bezige Bij, 2008.