De kalasjnikovs staan op scherp

In de separatistische Georgische provincie Abchazië is de sfeer sinds recente bomaanslagen uiterst grimmig. ‘Het is te laat voor vrede. De oorlog kan morgen beginnen.’

Voorbij de slagbomen en mitrailleurposten van de Russische vredestroepen aan de rand van Gali verdampt ieder optimisme in de zomerhitte. Want de kalasjnikovs staan op scherp in het Abchazische grensstadje op twaalf kilometer van Georgisch grondgebied. Sinds bij een bomaanslag op 6 juli vier mensen omkwamen, onder wie een hoge officier van de Abchazische geheime dienst en een tolk van de VN, is de sfeer er nog grimmiger op geworden.

Op de zwaarbeveiligde VN-compound hangt de vlag halfstok. Behalve een in zwarte lappen gehulde, kromgebogen vrouw, die tegen de VN-schutting zit, vertoont zich bijna niemand op straat. „Wij mogen geen commentaar geven op de gebeurtenissen”, zegt een nerveuze Britse VN-militair.

„Wíj hebben het hier zo slecht nog niet”, beweert de 20-jarige vredessoldaat Sergej voor het met zandzakken versterkte Russische commandocentrum aan de overzijde van het centrale plein. „Als contractanten verdienen we zo’n 25.000 roebel (680 euro) per maand en dat is heel behoorlijk.” Hij kijkt stoer, steekt een sigaret op en wil zijn verhaal voortzetten. „Mond houden”, briest ineens een majoor vanachter het prikkeldraad. „Jullie geven nergens commentaar op, hoor je?”

Hulpverleners en internationale waarnemers doorkruisen de hoofdstraat met hun witte jeeps en pantserwagens. Onafgebroken patrouilleren ze in de veiligheidszone tussen Gali en de grensrivier de Ingoeri, waar voornamelijk Georgiërs en Mingreliërs wonen. Sinds de bomaanslagen in verschillende steden in Abchazië zijn ze extra op hun hoede.

„De situatie is behoorlijk gespannen”, zegt de Bosniër Dejan Deletic van de hulporganisatie Danish Refugee Council (DRC) in zijn kantoor. „De VN-waarnemers hebben ons gewaarschuwd niet het platteland op te gaan en alleen over hoofdwegen te rijden. Ook op de markt kunnen we beter niet komen.”

De DRC helpt de ongeveer 50.000 teruggekeerde Georgische vluchtelingen met huisvesting en voedsel. Maar dat laatste wordt steeds moeilijker, zegt Deletic. „Door de Olympische Spelen van 2014 in Sotsji zijn de voedselprijzen gestegen en is het lastig om voorraden op te kopen.” Op de vraag of het waar is dat de teruggekeerde vluchtelingen door de Georgische overheid worden geïntimideerd en aangezet tot aanslagen op Abchazisch grondgebied, mag hij geen antwoord geven.

In het midden van een geblakerd caféterras op het centrale plein markeren twee flessen champagne en een bos gladiolen de plaats van de bomaanslag van 6 juli. Aan de rand van het plein pronken vier houten kiosken. Hun uitbaters zijn Mingrelische Georgiërs, wier families al eeuwen in de Gali-regio wonen.

„Ik verkoop bijna niets, zelfs niet aan die aardige Russische soldaten”, zegt de 63-jarige Eleonora Gamsachoerdia over haar nerinkje. „En of het oorlog wordt? Ik hoop van niet. Dit is Georgisch grondgebied. Waarom moet Abchazië in godsnaam onafhankelijk zijn?” Over de mogelijke daders van de bomaanslag zegt ze niets. „Maar we hebben gehuild om de slachtoffers”, zegt ze. „Het waren alle vier zulke goede mensen.”

Vijf andere Mingrelische vrouwen mengen zich nu in het gesprek. „U moet niet geloven wat ze u wijs proberen te maken”, zegt een van hen. „Saakasjvili [de Georgische president, red.] heeft geen enkele reden voor die aanslagen.”

In het gebouw van het regionale bestuur wordt heel anders over de schuldvraag gedacht. „Natuurlijk zit de Georgische geheime dienst erachter”, zegt Roeslan Kisjmarija, de bebaarde en gespierde vertegenwoordiger van de Abchazische president Bagapsj in de Gali-regio. „Op die manier wil Georgië in dit gebied een tweede Joegoslavië creëren, waarin volken tegen elkaar worden opgezet. Het zal ons binnenvallen om lid van de NAVO te mogen worden. Want dat kan alleen als het zijn territoriale problemen heeft opgelost. Die oorlog kan morgen beginnen, de Georgiërs zijn er klaar voor.”

Schuin tegenover Kisjmarija zit Vjatsjeslav Vardania, de plaatsvervangend voorzitter van de parlementaire commissie voor Defensie en Veiligheid. „Georgiërs zijn goede dichters en mooie mensen”, zegt hij. „Maar vechten kunnen ze niet. In de oorlog van 1992-’93 heb ik in mijn eentje een heel Georgisch bataljon tegengehouden.”

Kisjmarija vervolgt: „Georgië zal de oorlog winnen, dankzij zijn modern uitgeruste leger. Maar iedere Abchaziër heeft een geweer en zal zijn huis verdedigen.”

Op bijstand van de vredestroepen en de VN-waarnemers bij een Georgische inval rekent Kisjmarija niet. „De Russische vredestroepen zijn goed uitgerust, maar mogen niet deelnemen aan de strijd”, zegt hij. „De VN-waarnemers hebben geen wapens en kunnen ook niets doen. We krijgen hier straks een tweede Srebrenica.”

Voor een Georgisch vredesvoorstel, waarbij Abchazië in een Georgische en een Abchazische invloedssfeer zou worden opgedeeld onder Georgische vlag, is het volgens de presidentiële vertegenwoordiger te laat. „Daar hadden ze rond de burgeroorlog van 1992-’93 mee moeten komen. Vorig jaar kregen we zelfs een voorstel van de Amerikaanse ambassadeur in Georgië. In deze kamer vroeg hij onze president hoeveel geld Abchazië nodig had om zijn onafhankelijkheidsambities op te kunnen geven.”

De rit naar de grens voert even later door een subtropisch spooklandschap waarin af en toe een mens, een loslopende koe, een Russische militaire vrachtwagen of een VN-pantservoertuig opduikt. Van de huizen aan de weg is meer dan de helft verwoest door het oorlogsgeweld van vijftien jaar geleden. Op de binnenplaats van een Russische basis staan pantserwagens en artilleriegeschut.

Bij de grensovergang wachten zo’n tien mensen in de brandende hitte bij een kiosk. Waarop is niet duidelijk, want de grensovergang is sinds de bomaanslagen gesloten. „U mag hier niet verder”, snauwt een paniekerige grenswachter ons toe.

Vlakbij het controlehokje van de grenspolitie leunt de bejaarde Nina tegen een hek. Als ze wil vertellen waarom ze hier is, komt er, nog voordat ze een woord heeft gesproken, een officier op haar afrennen die wil weten wat ze heeft gezegd. Geschrokken loopt ze terug naar de kiosk.

„Ik wil dat u nu in uw auto stapt en wegrijdt”, beveelt de officier ons. Taxichauffeur Mavri Abzjarba weet precies wat er aan de hand is. „Jullie mogen niet weten dat je tegen betaling gewoon de grens over kunt. Waarom denk je anders dat die mensen hier staan?”

Een kilometer terug drinkt de 39-jarige Mingrelische ex-profvoetballer Kaga Sjonja bij een kiosk een biertje. Hij wacht op de buurtbus naar Gali, in dit geval een paard en wagen gemend door een andere bierdrinker. „Ik ben bang voor oorlog”, zegt hij. „Politiek interesseert me niet, als ik maar in vrede kan leven met mijn vrouw en twee dochters. En verder is het belangrijk dat ik werk heb en de grens over kan om mijn familie te bezoeken.”

Als hij in het karretje stapt en wegrijdt, slaakt de eigenares van de kiosk een diepe zucht. „Oi, oi, oi, de situatie is slecht”, puft ze. „Wij Mingreliërs hebben helemaal geen behoefte aan oorlog, maar ook niet aan een onafhankelijk Abchazië. Daarvoor hebben we veel te veel familie in Georgië. Een kleine man moet niet groot willen zijn.”

Taxichauffeur Abzjarba start zijn motor. „Zo staat Abchazië ervoor”, mompelt hij. „Ik heb in 1992 meegevochten in de burgeroorlog en vond het niet leuk om mensen dood te schieten. Maar als het moet, doe ik het weer. In de kast heb ik nog wat handgranaten en een kalasjnikov liggen.”