‘Zijn karakter was groter dan zijn mogelijkheden’

Op 13 juli 1967 overleed wielrenner Tom Simpson tijdens de beklimming van de Mont Ventoux. Zijn naam wordt naam meestal opgerakeld bij het zoveelste nieuwe dopingschandaal.

Onder een loden zon naderde die dertiende juli in 1967 de dertiende etappe in de Ronde van Frankrijk zijn ontknoping op de flanken van de Mont Ventoux. In de kopgroep Tom Simpson met rugnummer 49. En vier plus negen is, jawel, dertien.

Heroïek wordt pure tragiek wanneer Simpson noodgedwongen uit de kopgroep lost. Uitgeput valt hij van zijn fiets. „On, on, on! Get me back on my bike!”, stamelt hij. Zo geschiedt. Het zijn z’n laatste woorden op „my straps” na, omdat z’n schoen nog los op het pedaal staat. Simpson stort opnieuw in elkaar en sterft. Een combinatie van uitputting, hitte, uitdroging en amfetamines maakte voorgoed een eind aan de grenzeloze ambitie van de in België woonachtige Brit. Een legende werd geboren, een monument op de Mont Ventoux opgericht.

De controles op de renners werden daarna opgevoerd. Simpsons nalatenschap raakte zo onlosmakelijk verbonden met doping – een last die zwaar te dragen is voor zijn weduwe Helen en haar echtgenoot Barry Hoban, de man die daags na Toms dood een van zijn acht ritzeges in de ronde behaalde.

Ze wonen al 27 jaar in Wales, in een afgelegen gehucht nabij het stadje Newtown. Hun geschiedenis is in de streek nauwelijks bekend. Dat hun neefje de ‘bekende’ renner Matthew Gilmore is, weet al helemaal niemand.

In de woning van de Hobans is de herinnering aan Tom duidelijk zichtbaar. Zijn portret hangt in de woonkamer en het toilet is een klein wielermuseum. „Ongelooflijk, hoe het leven van drie mensen zo verstrengeld raakte”, mijmert Barry, die nu 68 jaar is.

Helen, hoe leerde u Tom kennen?

„Ik verbleef eind jaren vijftig als au-pairmeisje in Bretagne. De oudste zoon vertelde op een dag dat er in onze straat een andere Brit verbleef die net een wielerwedstrijd had gewonnen. Later zag ik in een tuin een man zitten met een zonnebril. Hij zag er allesbehalve Engels uit. Ik sprak hem aan in het Frans. Het was Tom.”

Kende u hem toen al, Barry?

„Natuurlijk. Het is een vreemd toeval dat onze drie levens zich zo vermengden. We groeiden alle drie op een zestigtal kilometer van elkaar op in Noord-Engeland. Ik fietste nog tegen hem in Engeland voordat hij naar Frankrijk en België vertrok om carrière te maken. Ik was 17, hij 19.”

U was bij zijn eerste successen?

Helen: „Wat was z’n eerste grote succes alweer?” Barry: „Dat was de Ronde van Vlaanderen in 1961. Jullie waren al getrouwd, Helen.”

Helen: „Dat is waar. We woonden toen in Parijs op de zesde verdieping van een flat zonder lift. Elke dag moesten we 111 treden beklimmen. Ik ging toen niet mee naar wedstrijden. Dat werd niet gedaan. Toen hij won, kwamen de buren op onze deur kloppen. ‘Ah, madame c’est formidable’, riepen ze. Ik realiseerde me toen helemaal niet wat voor een grote wedstrijd die Ronde van Vlaanderen was.” Ze lacht.

Tom won later nog Milaan-Sanremo en werd wereldkampioen. Hoe populair was hij?

Helen: „Iedereen kende hem, zeker in België. Toen hij in ’65 wereldkampioen werd, reden ze ons in Mariakerke en Gent rond met paard en koets. Het was groot feest. Hij is daar tot ereburger gekroond. We waren een beetje koning en koningin die dag, erg vreemd.” Helen toont trots de medaille die Tom toen won.

Helen, was u erbij, die fatale dag op de Ventoux?

„Neen. We bouwden op dat moment een buitenverblijf op Corsica. Ik was daar op vakantie met de kinderen die toen 4 en 5 waren. M’n ouders waren er ook. Ik weet nog dat ik die dag naar het strand ging met een kleine radio om de rit te volgen. Het eerste bericht maakte melding van een val van Tom. Omdat er sprake was van een mogelijke schedelbreuk, zijn we meteen naar het dorp gegaan. Daar konden we bellen naar de Tourorganisatie. M’n vriendin belde. Het enige wat ik haar hoorde zeggen, was: ‘Oui’. Ze zei niets op de weg terug naar huis. Maar toen mijn vader naar me toekwam, wist ik genoeg. Ons huis in Mariakerke was net gebouwd. De laatste keer dat ik hem zag was toen ik hem naar het station van Gent bracht. Hij nam de trein naar Parijs.”

Denk je er nog vaak aan?

„Af en toe.”

Barry: „Wanneer de dochters hier zijn, praten we veel over Tom. Hij maakt deel uit van onze leefwereld. Helen heeft een droom die vaak terugkomt. Al jaren. Wij zijn getrouwd en Tom komt plots opdagen. En Helen zegt: ‘Waar zat je toch?’ Vooral als de Tour de France begint, komt-ie. En waarschijnlijk na dit interview.” Hoban lacht.

Hoe verklaar je die droom?

Helen: „Ik probeer erover na te denken. Soms probeer ik Barry te verstoppen in die droom. Zodat Tom niet zou weten dat ik hertrouwd ben. Ik was zes jaar met hem getrouwd. We deden zoveel samen. Nu ben ik al veertig jaar met Barry getrouwd. Raar.”

Barry: „Ik droom vaak dat ik m’n fiets niet kan terugvinden voor de start van de Tour. Iedereen heeft wel van die dromen, denk ik. Zeker als je ouder wordt.”

Barry, u won de rit na Toms dood.

„Ik beschouw die rit niet als een overwinning. Dat was een rit voor Tom. De coureurs waren toen meer één familie dan vandaag. Toms dood beroerde iedereen. Hij was altijd degene die met moppen kwam aanzetten als je met veel in een kamer zat. Hij was zeer extravert en daardoor ook erg geliefd.”

Verwijt u iemand iets? De medische bijstand was lang niet voldoende.

Helen: „Neen, ik verwijt niemand iets.” Barry: „Ik weet wel nog goed dat de volgende keer dat de Tour de Mont Ventoux aandeed, alle faciliteiten wel aanwezig waren. Plots stonden er zuurstoflessen om in geval van nood in te grijpen. Goed, ze probeerden bij Tom nog mond-op-mondbeademing. Waarschijnlijk dachten ze dat een dodelijk ongeluk niet kon gebeuren.”

Zijn naam wordt nog steeds geassocieerd met doping.

Helen, duidelijk geïrriteerd: „Dat gebeurt de hele tijd. It’s so sad!” Er valt een stilte.

Barry: „Je moet alles in perspectief zien. Amfetamines werden tijdens de oorlog massaal geproduceerd om soldaten wat extra te motiveren. In de jaren vijftig kon je naar de dokter stappen wanneer je een lange autorit voor de boeg had. Wat kreeg je: iets op basis van amfetamines.

„Ze denken dat het alleen Tom Simpson was. Onzin. Het was overal. Ze verkochten destijds bij de apotheker pilletjes om beter te studeren. Je nam ze en je sliep niet meer. Wat zat erin: amfetamine. Dokters schreven het voor. Het was anders dan vandaag. Natuurlijk waren er wielrenners die het uitprobeerden! Ze werkten op je gemoed. Je voelde geen pijn meer waardoor je je grenzen kon verleggen. Ze zorgden niet voor meer spieren zoals anabolen dat doen.”

Waarom blijf je er zo kwaad over, Helen?

„Ik wil niet dat Tom herdacht wordt zoals dat vandaag het geval is. Ik vind dat pijnlijk. Hij won vele grote ritten. Maar hij wordt alleen gekoppeld aan de Ventoux.”

Barry: „Nogmaals, als Tom toen een rit won, was dat niet dankzij die amfetamines. Je mag er zeker van zijn dat de tweede en de derde en misschien wel de volledige toptien ook gebruikten. Hij was gewoon een fantastische renner.”

Wist u dat hij experimenteerde met amfetamines?

Helen: „Ik wist dat, ja. Ik stond er niet bij stil. Ik had meer schrik voor valpartijen, zeker in sprints.”

Barry: „De gevolgen waren toen niet bekend. Ploegmakkers van mij hadden het over goede vitamines. Dat was geen leugen, er werd echt zo over gedacht.”

Jullie trouwden kort na Toms dood. Volgens jullie dochter Joanne kwam er kritiek op in de kranten.

Helen: „Tweeënhalf jaar later trouwden we. Ik was 29.” Barry: „Niet waar, je was 30. Ik was 29.”

Barry reed liefst twaalf keer de Tour de France. Was u nooit ongerust als u hem de Mont Ventoux zag oprijden?

Helen: „Neen, ik wist dat Barry goed recupereerde.”

Barry: „Wat ze ook zeggen, Tom werd het slachtoffer van zichzelf. He pushed, pushed, pushed himself. Vroeger in Engeland had hij dat trekje ook al. Hij verlegde zijn limieten. Hij had een karakter dat groter was dan zijn fysieke mogelijkheden. En dat werd zijn dood.”