Terug naar de Chinese provincie Ningxia

Oud-correspondent van NRC Handelsblad Willem Offenberg keert met zijn vrouw, de Chinese kunstenares Ma Hui, terug naar de plek waar zij opgroeide tijdens de Culturele Revolutie.

Ze lacht de pijn weg, zoals Aziaten doen. Bij Ma Hui komen in de confrontatie met haar verleden flarden herinneringen boven. Het totaalbeeld is incompleet. Ze was destijds een jaar of acht, negen. Al te vreselijke details heeft ze verdrongen.

Vóór de Culturele Revolutie had ze een geprivilegieerde positie, als dochter van de vicevoorzitter van de Communistische Partij. Het ouderlijk huis in Yinchuan, hoofdstad van de provincie Ningxia, had vele slaapkamers, twee badkamers, een inwonende gouvernante, kok, chauffeur en een secretaris. Aan de overkant van de straat stond een tempelcomplex, de Xi Tá, ofwel westelijke pagode. Van het huis is niets meer over. Het heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw, een rij uniforme flats met op de onderste verdieping winkels. Maar de tempel staat er nog.

Ma Hui doet voor hoe ze daar als kleuter hinkelde. De toegangspoort met kenmerkend kruldak, druk beschilderd, voert naar een lommerrijke tuin met zitjes, ver weg van het straatrumoer. Haar eerste indruk is dat de tijd hier heeft stilgestaan. Hoewel? Op de plek waar ooit een massief, bladgouden boeddhabeeld stond hangt nu een slecht gelukte kopie van Ballet in de Parijse Opera van de Franse impressionistische kunstschilder Edgar Degas.

Achter de tempel staat de slanke pagodetoren, als altijd, elf verdiepingen hoog. „Als kind moest ik grote stappen nemen om de steile trap te beklimmen. Het lijkt allemaal veel kleiner nu. Sommige verdiepingen hadden geen ramen en waren onverlicht. Het was angstig en opwindend tegelijk. Het uitzicht over de stad maakte veel goed.”

Met de oude gids haalt ze jeugdherinneringen op over haar vaders bestuursperiode: „Ma Xin was niet corrupt, zoals de anderen. Als je met een schaal appels aankwam voor verleende diensten werd hij boos.”

Ineens schiet Ma Hui een oud angstbeeld te binnen. Een woedende menigte schreeuwde, pal voor de tempel, om Ma Xins uitlevering. Het gerucht ging dat hij zich in de toren had verschanst. In werkelijkheid was hij bij kennissen op het platteland ondergedoken. Korte tijd later werd hij toch opgepakt en sloeg het noodlot toe. De hele familie raakte als contra-revolutionair besmet. Ma Xin werd met een narrenkap op het hoofd geboeid door de stad geleid, beschimpt, bespuwd en geslagen door Rode Gardisten.

Ma Hui, nog geen negen, verhuisde helemaal alleen naar Yuoai, een dorpje op vijftien kilometer van Yinchuan. Ze toont haar verweerde handen. „Ik moest helpen met riet snijden en rijst planten. Vanaf half vijf ’s ochtends. Tot de enkels wadend in ijskoud modderwater. De draagplank veroorzaakte bij het stenen sjouwen bloedige striemen op je rug.”

Dit zware lichamelijke werk was bedoeld als straf voor de elite, om zich het eenvoudige landleven eigen te maken als voorbereiding op Mao’s ‘nieuwe samenleving’.

Van het dorpje is niets meer over. Overal staan stenen rijtjeshuizen in plaats van de lemen optrekjes van weleer. Overal liggen asfaltwegen. De maïsvelden rondom zijn voorgoed verdwenen, Yuoai is helemaal vastgegroeid aan de grote stad. Ook de zijtak van de Gele Rivier is niet meer de krachtige stroom die hij ooit was. Weg zijn de strakke lijnen tot aan de horizon, de wuivende korenvelden, de zon boven bloeiende gewassen, die haar vroeger inspireerden tot kunstwerken.

De meeste boeren die Ma Hui kende hebben hun stukje grond verkocht en wonen sinds 1997 allemaal samen in een modern flatgebouw. Ze veroorzaakt een vrolijk opstootje wanneer enkelen haar op straat herkennen. Ook de begroeting met de boer en boerin die zich in 1967 tijdelijk over haar ontfermden is hartelijk. Hij is inmiddels 87, zij in de negentig. Ze lijken tevreden met hun nieuwe bestaan.

’s Avonds nodigen oude buren Ma Hui te eten. Ze vraagt of ze erop vooruit zijn gegaan. Het antwoord is eender: „Niet alleen de behuizing is verbeterd, ook de kwaliteit van het eten is met sprongen vooruitgegaan. Jammer alleen dat er op spiritueel gebied zo weinig te beleven valt. Nee, dan de tijd van Mao, hè”, verzuchten ze in koor, „er was toen veel meer saamhorigheid.”

Ma Hui kijkt ervan op. Ze was de enige in haar vriendenkring die bij de dood van Mao in september 1976 geen traantje wegpinkte. Het weerzien doet haar goed, en ook weer niet. Ze wordt zich bewust van de grote verwijdering. Zíj zijn min of meer dezelfden gebleven, wonen op dezelfde plek. Ma Hui voelt hoe ver ze van hen afstaat, maar houdt zich kranig: „Voor mij tellen de positieve ervaringen. Het helpt me mijn pijnlijke verleden te verwerken.” Plots zegt ze heel gedecideerd: „Ik zou nooit meer terug willen...” Dan, in de stilte van de hotelkamer, komen de tranen.