Ook op een fotoschilderij zal het beeld nooit echt zijn

Tentoonstelling Gerhard Richter: 48 Portraits. T/m 14 juni 2009 in De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. Di. t/m zo. 11-17u. Inl: www.depont.nl, 013-543 8300

Wat zie je als je een geschilderd portret ziet? Het lijkt een nogal domme vraag, maar wie een tijdje naar de 48 Portraits van Gerhard Richter heeft gekeken, weet het antwoord plotseling niet zo zeker meer. Zie je alleen een schilderij? Een mens? En stapeling van karaktertrekken? Een reputatie?

Gerhard Richter (Dresden, 1932) schilderde zijn serie van 48 portretten in 1971 en 1972. Daarna werden ze geëxposeerd in het Duitse paviljoen op de Biënnale van Venetië. In die jaren was Richter nog volop aan het experimenteren met het procedé dat hij een jaar of tien daarvoor had ontdekt. Ergens begin jaren zestig, op het moment dat hij geen idee meer had wat hij wilde schilderen, besloot hij het ‘domste’ te doen wat je als schilder maar kon bedenken: het zo letterlijk mogelijk naschilderen van een foto. Daarbij ging het Richter niet om de afbeelding of de illusie; hij streefde er naar de foto zelf na te schilderen, inclusief al zijn afwijkingen, onscherpte en verstoringen.

Juist door die afwijkingen benadrukte Richter de subjectiviteit van het schilderij: hoe echt dit beeld er ook uit mocht zien, leek hij te zeggen, het is altijd afgeleid, persoonlijk gemaakt, geïnterpreteerd – en daarmee vertekend. Deze ‘fotoschilderijen’ leken dan wel echt, maar waren ze dat ook? En als ze dat niet waren, wat bleef er dan nog over?

Ook de 48 Portraits, die het Tilburgse De Pont voor een jaar heeft geleend van Museum Ludwig in Keulen, schilderde Gerhard Richter op deze manier. Als uitgangspunt nam hij de sobere, schijnbaar neutrale fotoportretten van beroemdheden uit oude encyclopedieën. Dat was een geweldige vondst, juist omdat roem en beeltenis nauw met elkaar samenhangen, maar ook afhankelijk zijn van de kennis van de toeschouwer. Als je het hoofd kent, verbind je er gemakkelijk de naam aan van Frans Kafka, Gustav Mahler, Oscar Wilde of Albert Einstein. Een functie of een karaktereigenschap. Maar wanneer gezicht noch naam je iets zeggen (Wilhelm Dilthey, Alfred Mombert) ben je iedere oriëntatie kwijt en besef je maar al te goed hoezeer je blik wordt gestuurd door voorkennis en verwachtingen.

Op dat patroon spelen de 48 Portraits prachtig in, mede doordat je beseft dat de geportretteerden voor steeds meer toeschouwers steeds minder beroemd worden. En daar komt Richters schilderstijl nog eens bij. Die is bijna perfect realistisch, in die zin dat je voortdurend het gevoel hebt naar foto’s te kijken – juist omdat ze soms dramatisch zijn uitgelicht of niet helemaal scherp zijn. Hoe langer je naar deze werken kijkt, hoe sterker het besef wordt dat Richter al deze koppen tijdens het schilderen vooral moet hebben beschouwd als bijna abstracte stelsels van wit, zwart en grijs, gewoon omdat dat de enige manier is ze enigszins natuurgetrouw te reproduceren.

Die spanning tussen roem, kennis en abstractie is de grote kracht van deze serie. Dat wordt nog eens versterkt doordat Richter een compositorische truc uithaalde. Een deel van de beroemdheden kijkt naar rechts, een deel recht vooruit en een deel naar links. Dat werkt het mooist als ze alle 48 op een wand hangen, bijvoorbeeld in drie rijen van zestien of vier rijen van twaalf. Als toeschouwer krijg je dan het benauwde gevoel dat ze je volgen, in de gaten houden.

Dat is de enige zwakte van de opstelling van de schilderijen bij De Pont: om onnaspeurbare redenen (of misschien was er simpelweg te weinig ruimte) hebben ze in Tilburg besloten de 48 portretten achter elkaar te hangen, en bovendien verdeeld over twee zalen. Daardoor is het effect dat de beroemdheden ‘terugkijken’ grotendeels verdwenen. Dat is een misser, maar dat neemt niet weg dat iedere Richter-liefhebber de kans om deze klassieker in Nederland te bewonderen niet moet laten lopen.