Maniakaal verslag bij een nogal saaie sport

Qua televisie lijkt het dieptepunt nu wel bereikt. Het EK en Wimbledon zijn voorbij, de Olympische Spelen duren nog wel even en in Hilversum duwt een handvol stagiairs en uitzendkrachten schijfjes met herhalingen in dvd-spelers. Drie dingen houden het leven voor de beeldbuis een beetje boeiend: Chinabashen, Maarten Ducrot en Herbert Dijkstra.

Voor China was het tot zover een jaar van gezichtsverlies. Eerst die rellen in Tibet, daarna de ‘harmony journey’ van atleten die met uitgedoofde Olympisch fakkels spitsroeden liepen door de straten van Londen, Parijs en San Francisco. Peking kan uit wraak niet eens de bevolking tegen het Westen ophitsen: straks in augustus moet iedereen immers gastvrij zijn. De verwoestende aardbeving van Chongqin was in dit kader bijna goed nieuws: even stond China in een sympathiek daglicht. Dat zal komende weken weer minder het geval zijn.

Zembla beet zondag de spits af met een voorspelbare Franse documentaire. Daaruit bleek dat China geen democratie is en dat hoge ambtenaren glimlachend liegen en mensenrechtentypes achter de tralies zetten. Film je bij hun appartement, dan staat er meteen een roedel officiële Chinezen als gangsterrappers met hun handen voor je lens te wapperen. Bovendien worden oude wijken gesloopt voor olympische prestigeprojecten en is op een ‘blauwe dag’ de concentratie fijnstof in Peking zodanig dat Parijs alarmfase rood zou afkondigen.

Maar dat wisten we allemaal al. De BBC bracht gisteren een nieuwe Chinese euveldaad aan het licht: schending van het wapenembargo tegen het genocidale regime van Soedan. Het draait om straaljagers, kleine wapens en Donfeng legertrucks waarop je geschut kan sjorren om argeloze dorpen te bombarderen. Bovendien „sterven kinderen van honger in een gebied waar een Chinees bedrijf naar olie pompt. ” Het lijkt Shell wel. Voor de Spelen beginnen, komen we met méér in Insider China, belooft de BBC.

Zo tonen westerse omroepen nog wel een paar weken de ‘andere kant van China’ en zal Peking dat als samenzwering, provocatie of arrogantie interpreteren. De finish van deze mediamarathon komt in zicht: na de openingsceremonie doet het er niet meer toe.

Tot dan doen we het ook met de Tour de France: gisteren de rit in de Pyreneeën naar Hautacam. Ze doen nu weer alsof renners geen doping gebruiken en dus ontbreekt de zinderende dramatiek van vorig jaar, toen de ene na de andere etappewinnaar of geletruidrager stopte, van de aardbodem verdween of van het bed werd gelicht. Nu gaat het over wielrennen, een nogal saaie sport die men traditioneel opleukt met natuurbeelden en maniakaal commentaar van mannen als Theo Koomen of Jaques Chapel.

Tegenwoordig zijn dat de oud-renners Maarten Ducrot en Herbert Dijkstra, die het minder van volume moet hebben dan taalbeheersing. Wat ze niet verzinnen! „Langs de kant van de weg stond nog een vaatje klimmersbenen.” „Gaat-ie staan pissen, op een moment waar de hersenen uit de oren komen als gebraden kroketten!”

Soms grijpen ze te hoog, zoals dit Ducrotisme dat Jan Mulder optekende: „Ja zeg, eerst de boel een beetje leegeten en dan als een nat washandje de coalitie op de kant zetten als de wind van schuin achter komt.” Maar dat kan gebeuren in een wereld waar hoofden altijd kokosnoten zijn en benen dik of zuur; waar renners de bietenbrug opgaan, hangen aan het elastiek, stoempen op hun zadels of snokken uitdelen.

Prettig is ook dat het duo – soms meer een vittend echtpaar – weinig last heeft van heldenverering. Ooit reden ze zelf, dus zien zij in het peloton vooral druiloren met neuzen als zinksnijders, oliedomme oelewappers, laffe kerels, trutten in de bocht of oude wijven achterin. En ze blijven meedenken met hun oud-collega's: „Ach, wat een verdriet! Ze hadden hier ook rustig de eetzakjes kunnen leegeten om straks op de Hautacam de spierballen te meten”, hoorde ik ze gisteren zeggen. Bedenk dat als leek maar eens.