Internet Weblog van de dag

Stinkedorus. Ewout Sanders vraagt zich op zijn weblog Woorden af welke rookwaar de meeste sporen heeft nagelaten in het Nederlands: de pijp, de sigaar of de sigaret?

„Op het eerste gezicht zou je denken: de sigaret. In de afgelopen eeuw, zeker sinds de Tweede Wereldoorlog, was de sigaret immers oppermachtig. Overal te zien en op te steken. Een genotmiddel dat zo aanwezig is geweest, móet wel invloed hebben gehad op onze taal.

En inderdaad, er bestaan zeker twintig woorden voor ‘sigaret’. Te denken valt aan blazertje, heinzie, inhalertje, grafnagel, kankerstaafje, kankerstokje, nicotinestaaf, paffer, pennetje (een Bargoens woord), peuk, piraatje, rokertje, saffie, safiaantje, sassie, smakkie, smokertje, stinkstok en strootje (laatstgenoemde voor een zelfgemaakte sigaret).

Veel van deze woorden hebben een rijke en interessante geschiedenis, maar daarover later meer.

Er bestaan tientallen woorden voor bepaalde typen sigaren – van bolknak tot Havanna – maar het aantal volksnamen is gering. Van Dale kent krijgertje in de betekenis ‘gekregen sigaar die slecht blijkt’, bokje, pinker, stinkbok, stinkstok en stinkedorus voor ‘slechte sigaar’, stinkhout als schertsnaam en strootje voor ‘zeer lichte sigaar’.”

Lees verder over rookwoorden op nrc.nl/woordhoek