Hij sloeg een arm om me heen. ‘Niet bang zijn’

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag deel 2: Zeilkamp aan het Sneekermeer, 1982.

Hij heette Floor Kist en was een van de leiders van het zeilkamp. Ik was elf en smoorverliefd, voor het eerst. Verder was ik bovenal een stuurse vroege puber die alles moeilijk vond.

Het zeilen bijvoorbeeld. Hoe moest ik hard aan de touwen trekken, terwijl ik tegelijk mijn vrouwelijke waardigheid behield, om maar wat te noemen. En hoe verpakte je beginnende borsten op charmante wijze in een hobbezakkerig zeilkamp T-shirt?

Aldus zat ik aan het einde van een zeildag op de grond voor mijn tent (een reusachtig ding dat ik met acht andere meisjes en onze leidster deelde) terwijl ik met een stokje FLOOR in het zand schreef.

„Wat ben je aan het doen?”

Hij kwam naast me zitten!

Met gloeiende wangen veegde ik zijn naam weg en pretendeerde iets kunstig met het stokje aan het doen te zijn. Het stokje boog sierlijk en sprong toen in mijn oog.

Het zeilschooltje is er vierentwintig jaar later nog steeds. Een bruin verbrande jongen is er met een hond aan het spelen. Bikkel heet de hond, vroeger wou ik ook een hond die Bikkel heette.

Het schooltje is kleiner dan ik me herinner, niet veel meer dan een keet.

Is het wel hetzelfde hok? Destijds was het verdeeld in twee ruimtes waarin we een onverwacht gure dag doorbrachten met het knopen van mastworpen en paalsteken. Vreselijk vond ik dat. Ik ben ze waarschijnlijk allemaal vergeten, ik had alleen interesse in Floor, maar die zat bij de jongens.

De zeilinstructeur doet me aan Floor denken. Net zo gezond en net zo onbereikbaar, want hij spreekt me stijfjes met ‘mevrouw’ aan.

De jongen vertelt dat hij morgen vijfenveertig pubers binnenkrijgt. Weer een zeilkamp, de tijd blijft op campings als deze veel langer stilstaan dan elders in de wereld.

„Ik krijg dus een groep op bezoek én ik heb Bikkel te logeren”, vat hij zijn verantwoordelijkheden samen. Hij gooit, als ik niet direct reageer, een stok in het water, waar zijn leenhond zonder aarzelen achteraan springt.

Ik moet opeens denken aan bruine bonen met spek, waar ik midden in de nacht zo ziek van werd dat ik brakend naar de wc rende. Dankzij de flinterdunne wc-deurtjes stonden er al gauw vier hysterische meisjes voor mijn hokje te gillen.

„Jowi is ziehiek, Jowi is ziehiek”. En: „We halen Floor erbij!”

De jongen wijst ondertussen naar het water: „Ze zeilen in valkjes”, vertelt hij. „En optimistjes, die liggen daar verderop.” Ik knik. Wij zeilden in een zestien kwadraat, groter en lomper. Onze leidster zei de hele tijd „kom op jongens!”, ook al zaten er alleen meisjes in de boot. Meisjes die niet in zeilen waren geïnteresseerd en de hele tijd ‘getver’ riepen. Meisjes die mijn permanente existentiële levensfrons niet begrepen.

Ik had geen hekel aan zeilen, maar wel aan dat gedoe er omheen. Dat losknopen, bijstellen en hijsen en niet te vergeten het opruimen, oprollen en schoonpoetsen. Nog steeds hou ik niet van werkzaamheden waarvan de bijwerkzaamheden meer tijd kosten dan de actie.

Van de valkjes glijdt mijn blik naar de aanpalende horeca van de Potten. Daar aten de campinggasten bloemkool waar je geen tanden voor nodig had, bedekt met een laagje nootmuskaat. Ze serveren het nog steeds, ik heb er net gegeten. Het smaakte uitstekend.

Naast me op het terras zaten drie mevrouwen van twee keer mijn leeftijd over hun zeillessen in hun jeugd te praten. Toen stormde het zo erg dat hun boot net een onderzeeër leek, ze lachten, ik lachte beleefd mee. Ik wist opeens zeker dat die vrouwen hier hadden gewaakt tot ik terugkwam, dat er een cirkel rond was.

„Dus”, de jongen heeft zijn zonnebril afgedaan en glimlacht voorzichtig. „U heeft een kind dat op kamp wil?” Ik besef me dat hij me als potentiële klant ziet, maar voor ik kan ontkennen wordt hij geroepen door een man met een campinglogo op zijn borst. Bikkel volgt op de voet.

Ik denk weer aan stokjes. De stille hoop die ik voelde. Floor, die eerst zorgzaam mijn tranende oog had gewassen en daarna vroeg of ik het wel naar mijn zin had.

„Ik ben nogal bang van aard”, opperde ik. Hij sloeg een arm om me heen. „Niet bang zijn.”

Ik stelde me voor dat Floor na de vakantie opeens bij ons zou aanbellen. Dat hij tegen mijn moeder zou zeggen: „Ze is een beetje jong, maar zó bijzonder. En zeilen kan ze ook. Echt een talent.”

Dat had ik hem laatst over de leidster van mijn groepje horen zeggen: „Echt een talent.”

„Ik vind het hier leuk”, zei Floor ondertussen, „het is mijn eerste kampervaring. Grappig hè? Maar het wordt ook mijn laatste kamp. Zwaar, met al die kinderen.” Ik knikte, alsof ik niet bij al die kinderen hoorde.

We liepen terug naar het kamp toen de gong klonk. Bruine bonen met spek.

Ik zat met mijn groepje aan de meisjestafel. Floor zat een tafel verderop. Hij knipoogde naar me, mijn groepje joelde. Maar ik voelde me goed. Nog helemaal niet ziek. Zo goed zelfs, dat ik die avond na het sluiten van de tentflappen naar buiten sloop, naar het kampvuur waar de leiding altijd bleef hangen. Ik zag hem meteen, zijn arm zat om mijn tentleidster. Ze zoenden.

Daarna pas werd ik ziek.

„Sorry”, de jongen is terug. Hij pakt de stok van Bikkel en gooit hem weg. Ik wil niet dat hij me weer gaat vragen wat ik nou eigenlijk kom doen. Ik wil hoogstens weten wat er van Floor geworden is. Of hij getrouwd is. Of hij nu zelf kinderen heeft die naar zeilkamp gaan. En dat ze dan morgen komen.

Misschien moet ik blijven, dan kan ik hem welkom heten. Ik herken hem vast, nog steeds zo knap, maar een beetje kalend, hij is tenslotte zeker tien jaar ouder dan ik.

„Floor!” zal ik roepen.

„Jowi!”

De jongen heeft de deur van het zeilschooltje opengedaan en is naar binnen gelopen. Ik ruik het hok, ik herken het hier steeds beter.

Hij komt naar buiten met een touw en roept Bikkel. „De opzichter zei dat ik Bikkel aan de riem moet doen. Hopelijk mag dit ook.”

Ik volg zijn handelingen, touw om de nek van de hond, klein lusje, grote lus er doorheen. Dat brave wachten van de hond, Bikkels zijn beesten die almaar bij je in de buurt willen zijn. Nu moet ik daar niet aan denken, destijds leek me dat geweldig. De jongen haalt zijn touw door de lussen en trekt aan. Opeens zie ik wat hij gemaakt heeft: het is een paalsteek.