Globalisering verliest steun in Westen

De Wereldhandelsorganisatie publiceert vandaag het World Trade Report 2008. Regeringen moeten onrust over globalisering niet negeren, vindt directeur-generaal Pascal Lamy.

Zomaar een waarschuwing tegen globalisering: Europese boeren zullen jaarlijks 30 miljard euro aan inkomsten verliezen als de laatste voorstellen voor een nieuw wereldhandelsakkoord volgende week in Genève door handelsministers worden goedgekeurd. Deze waarschuwing tegen verdere liberalisering van de wereldhandel kwam gisteren van de voorzitter van de Europese boerenbond, Jean-Michel Lemétayer, maar meer lobbygroepen laten die vergelijkbare geluiden horen.

De toenemende globalisering kent verliezers, erkent de topman van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), directeur-generaal Pascal Lamy, vandaag in het World Trade Report 2008. Dit veroorzaakt in toenemende mate onrust, bijvoorbeeld bij Europese boeren. Regeringen mogen deze onrust niet negeren, want dat zou leiden tot „versterkte claims van onrechtvaardigheid”, en die tasten de legitimiteit van een open internationaal economisch beleid aan, aldus Lamy. Daardoor zouden regeringen zelfs in het defensief worden gedrongen, wat hun mogelijkheden beperkt om „beleid te voeren dat samenlevingen juist laat profiteren van globalisering”. Juist in de rijke landen die de afgelopen halve eeuw fors hebben geprofiteerd van groeiende handel, neemt de steun voor globalisering af, constateert het rapport.

Het World Trade Report identificeert de verliezers van globalisering en analyseert waarom juist zij buiten de boot vallen. Het resultaat van globalisering is, kort gezegd, een groeiende inkomensongelijkheid in industrielanden en opkomende economieën (India, Latijns-Amerika) en daarnaast wereldwijd een groeiende bestaansonzekerheid omdat de afscherming van hele sectoren wegvalt.

In rijke landen is het niet alleen ongeschoold industriewerk dat naar arme landen verdwijnt, maar toenemend ook geschoold werk. Winnaars in rijke landen zijn hooggeschoolde werknemers in exportgerichte ondernemingen. Bijeffect: een groeiende inkomensongelijkheid in industrielanden, waardoor de steun voor globalisering in rijke landen verdwijnt terwijl er wel steun is in opkomende economieën die industrieën overnemen uit de rijke landen.

Het opvangen van de effecten van globalisering is vooral een probleem in de armste landen. Van groot belang is, aldus het rapport, dat landen vangnetten hebben voor werknemers die hun baan verliezen. Ook moeten landen een goede infrastructuur, instituties en onderwijs hebben om te kunnen profiteren van groeiende handelskansen. „Binnenlands beleid bepaalt meer dan wat dan ook de mogelijkheid voor een regering om te profiteren van internationale samenwerking”, schrijft Lamy. Het probleem is dat arme landen geen geld hebben voor dergelijke voorzieningen. En juist liberalisering van internationale handel is een bedreiging voor hun financiën, omdat overheidsinkomsten vaak voor de helft of meer bestaan uit heffingen op im- en export.

Het „moment van de waarheid” is nu gekomen voor handelsministers, schreef Lamy begin deze maand in de International Herald Tribune. Aanstaande maandag komen zij namelijk voor het eerst in twee jaar weer bijeen in Genève in een poging de zogeheten Doha-ronde voor een nieuw wereldhandelsakkoord tot een goed einde te brengen. Het is de laatste kans om vóór de Amerikaanse presidentsverkiezingen nog tot een resultaat te komen. De Doha-ronde begon in de herfst van 2001 en had op 1 januari 2005 afgerond moeten zijn.