Gaat de buurman nu alweer naar de wc?

Vakantie is een redelijk nieuw fenomeen, en de mens is er nog maar matig op aangepast. Niemand vindt het dan ook raar als het vier dagen duurt voordat je lichaam besluit dat de Franse wc te vertrouwen is. Daarentegen denkt iedereen dat communiceren op vakantie vanzelf moet gaan. Natuurlijk niet! De meest voorkomende communicatieproblemen op vakantie en de beste oplossingen.

Waar gaan we heen

Er bestaan mensen die helemaal niet bespreken wat ze gaan doen op vakantie. Dat is niet zo verstandig. Ik ken een stel dat ruzie kreeg omdat pas in Frankrijk bleek dat de een ervan uitging dat het een bergvakantie werd, terwijl de ander alles wilde, ‘behalve een bergvakantie!’ ‘Maar ik heb net bergschoenen gekocht! Daar was je bij!’ Beter is: van tevoren bespreken, ook al loop je dan de kans ruzie te krijgen.

Wie graag zijn zin wil krijgen, kan de vakantieplannen het beste brengen als levenslange passies. ‘Ik wil al sinds ik tien ben héél graag naar de Duitse wadden! Da’s echt een jongensdroom van me!’ Een beetje vleierij kan ook nooit kwaad: ‘Het lijkt me echt heel gaaf om dat met jóú mee te maken.’

Wie er niet uitkomt moet het zo oplossen: de ene dag doen we wat de ene persoon wil, de andere dag wat de ander wil. Verder geen compromissen.

Communiceren in de auto

Een veelgehoorde klacht over vakantie is dat de ruzie al begint in de auto. Dat heeft te maken met het feit dat je ineens uren aaneengesloten in een kleine ruimte zit. ‘Dan ga je de weg maar vragen!’ ‘Ga zelf de weg vragen!’ Deze ruzie wordt opgelost door een TomTom te kopen. Alle andere ruzies door het opzetten van collegereeksen op cd, of van tevoren gepodcaste interviews.

Fluisteren

Wie op de camping zit, moet meteen overschakelen op de fluisterstand. Privacy is er namelijk maar in zeer beperkte mate. ‘Wat? Gaat de buurman nu alweer naar de wc? Zou hij diarree hebben?’ Waarop de buurman vanuit zijn tent antwoordt: ‘Nee, ik heb geen diarree, maar wel een prikkelbare darm. Vandaar.’ Een tent lijkt op een huisje, maar is het niet. Onthoud dat.

Aan het eind van de vakantie weet iedereen wat gefluisterd moet worden. Maar dan nog. Ik hoorde ooit een man tegen zijn vrouw fluisteren: ‘Ik wil niet dat je me een klootzak noemt. Want dat ben ik niet. Een klootzak.’ De rest van de camping las zogenaamd een boekje, en luisterde ondertussen intens geconcentreerd mee.

Wie is er eigenlijk de baas op de camping

Vakantie gaat voor een groot deel natuurlijk over je wil opleggen aan anderen. Vooral de camping is een mini-maatschappij zonder duidelijke bestuursstructuur. Dan gelden de wetten van de jungle.

Alfamannetjes hebben het makkelijk, die lopen gewoon op een groep angstaanjagende pubers af en verklaren: ‘Om tien uur is het stil.’ Dit lijkt een constatering, maar is een keihard bevel. Hoe meer ‘alfa’ het mannetje is, hoe meer kans dat het bevel ook echt opgevolgd wordt.

Iets mindere alfamannetjes kiezen er vaak voor expres hardop commentaar te leveren, zodat hun slachtoffer het hoort. ‘Er zijn hier BEPAALDE MENSEN die denken dat het normaal is om in de douche een compleet waterballet aan te richten.’

De totale losers (ofwel: de aardige mensen) moeten het zo oplossen: ‘Hee, haha, ik geloof dat ze hier eigenlijk echt heel graag willen dat we het afval scheiden… Ja ik weet het ook niet hoor… Wacht ik doe het anders wel even… Nee joh geen probleem… Iemand nog iets nodig van de supermarkt?’

Voor iedereen die geen alfamannetje is, maar toch ook wat agressie kwijt moet, bestaat er op de camping ook altijd nog de bevredigende mogelijkheid van het anoniem schelden. Stel, er wordt te veel lawaai gemaakt. Dan kun je vanuit je tent ineens heel hard roepen: ‘Kan het GODVERDOMME wat zachter!’ Niemand weet precies uit welke tent het komt, maar toch voelt het roepen best heldhaftig.

Plannen maken

Veel mensen zijn gelukkig als ze volledig passief van kerk naar strand gesleept worden. Er is in elk gezelschap maar één plannenmaker nodig. Of geen een. Ook goed, dan gebeurt er niets. Problemen ontstaan er pas als er twee plannenmakers zijn. Die moeten hun plannen geraffineerd presenteren, anders krijgen ze de andere plannenmaker niet om. Een allang voorbereide excursie kan in zo’n geval het best worden gebracht als een spontaan opkomend idee: ‘Hee! Zullen we anders naar het Picassomuseum gaan? Ze zijn open van tien tot één en van drie tot zes en ze doen aan studentenkorting… Geloof ik.’

Als iets, dan niets

Thuis staat de rolverdeling vast. De een zet meestal koffie en de ander maakt het toilet schoon. Op het vakantieadres staat de hele rolverdeling in principe weer ter discussie. Daar kan natuurlijk ruzie van komen (‘Waarom moet ík alle communicatie met het vieze boertje doen? Ben ik soms Hoofd Communicatie?’), maar op een subtiele manier kan het ook in je voordeel werken. Je kunt anderen tot van alles dwingen, als je het maar slim verpakt. Een nuttige constructie is de ‘als iets, dan niets’-constructie. Je zegt bijvoorbeeld: ‘Als jij nou eens een lekker kopje koffie zet…’ Het ‘als’ suggereert dat er een ‘dan’ komt met een tegenprestatie. Maar die hoef je helemaal niet te noemen! Gewoon de zin laten uitdoven en wachten tot je bediend wordt.

Genieten

Op vakantie moet natuurlijk genoten worden, en alsof die druk niet al groot genoeg is, moet daar ook nog voortdurend verslag van uitgebracht worden. Voor mensen die hier moeite mee hebben, een paar standaardzinnen om er op willekeurige momenten in te gooien: ‘Mensen, dit is toch léven!’, ‘Hier in Italië/Portugal/Slovenië weten ze nog echt wat genieten is’, ‘Mij krijgen ze hier niet meer weg, deze jongen zit goed.’ ‘Dit had ik nodig, ik voel alles van me afglijden.’ ‘Bij zo’n sterrenhemel besef je pas echt hoe klein wij mensen zijn, en hoe onbelangrijk alles eigenlijk is.’ ‘Zonnetje, biertje, heeelemaal goed.’

Een vreemde taal spreken

Hou maar op met dat ‘je voudrais un pain s’il vous plaît,’ want bij de Fransen kun je het nooit goed doen. Waar ze wel gevoelig voor zijn, is Engels. Dus: zonder blikken of blozen en vooral zonder verontschuldigingen Engels praten, en dan zullen we nog wel eens zien wie de overhand in het gesprek heeft.

In andere landen is het spreken van de landstaal juist wel leuk, omdat ze het daar schattig/leuk geprobeerd/sociaal van je vinden als je moeite doet. In Amerika zijn de mensen bijvoorbeeld al snel bereid te beweren dat ze helemaal niet kunnen horen dat je buitenlands bent, de schatten.

Het woord waardoor Nederlanders altijd verraden dat ze Nederlands zijn is ‘hè’. ‘We went to Disney World, hè, and the kids really liked it, hè.’ Wie internationaal wil overkomen, vermijdde ‘hè’. Wie juist over wil komen als iemand die daar schijt aan heeft, hè, be my guest.