Bewegend staatsrecht

Staatsrecht maken wij waar u bij staat! Dat zei minister-president Barend Biesheuvel (1971-73, ARP) ooit op zijn wekelijkse persconferentie na de vergadering van de ministerraad. Hij zei dat met een brede glimlach tegen een groep verblufte politieke journalisten.

Biesheuvel had in 1967 geweigerd premier te worden omdat hij de kwaliteit van de aangeboden kandidaat-ministers onvoldoende vond (het premierschap was daarna aan de KVP’er Piet de Jong toegevallen).

Maar Biesheuvels in 1971 aangetreden vijf partijenkabinet van sterke mannen was al na een jaar wegens interne verdeeldheid gevallen en het had na het afhaken van DS’70 nog maar steun van 70 leden van de Tweede Kamer. Hardnekkig waren toentertijd de geruchten dat Biesheuvel toch op de een of andere manier wilde doorregeren. De groep politieke journalisten had hem daarover allerlei meer of minder lastige vragen gesteld. Zoals: de parlementaire meerderheid van uw coalitie is toch weg?, de grondslag van uw kabinet daarmee toch ook, u kunt dan toch niet zomaar doorgaan?, er moeten dan toch eerst nieuwe verkiezingen komen en wat dacht u dat de staatsrechtelijke status van uw tweede kabinet anders zou zijn? Biesheuvel reageerde heel vlotjes op zoveel zwarigheden: We zullen zien, en vergeet niet dat wij staatsrecht maken waar u bij staat.

Het liep destijds allemaal anders, er kwamen – in november 72 – wél nieuwe verkiezingen, er volgde een lange kabinetsformatie (van het kabinet-Den Uyl), Biesheuvels politieke dagen waren voorbij. Kortom: premiers kunnen staatsrecht niet zomaar maken zoals zij het zouden willen. En zonder medewerking van een meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer zeker niet.

Maar, volgende, meer actuele vraag: wat moet een premier doen als een meerderheid van de Tweede Kamer hem nu eens meer bevoegdheden wil geven (in het kabinet), dan weer klaagt dat hij zich (in het kabinet) te veel bevoegdheden aanmeet? De Kamer vindt bijvoorbeeld dat de premier in het kabinet (meer) regie moet voeren bij kwesties die de financiële kosten van het Koninklijk Huis raken, en daarbij ook eerste aanspreekpunt voor de Kamer dient te zijn. Maar op het moment dat Balkenende dan spreekt van een „aanwijzingsrecht” jegens andere (gewone) ministers in wier begrotingen koninklijke kosten gedekt worden, staat bijna ieder klaar, ook velen in de Kamer zelf, om hem te verwijten dat zoiets wettelijk onmogelijk is. Of, zoals staatsrechtgeleerde Bovend’Eert, dat hij „rotzooit” met het staatsrecht. Je vraagt je af hoe hij dan wél regie moet voeren.

Net wanneer het debat daarover enigszins is weggeëbd, tot de Senaat het na de zomer heropent, komt er dan een advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur waarin wordt opgeroepen om de minister-president tijdens een nationale crisis (bij rampen bijvoorbeeld) de baas te laten zijn en hem een aanwijzingsrecht en beslissende stem in de ministerraad te geven. Die Raad heeft het over „de veranderende positie” van de premier die hem bij uitstek geschikt zou maken om zo nodig knopen door te hakken. „In internationaal verband treedt de minister-president steeds meer op als regeringsleider en dat wordt ook van hem verwacht”, heet het.

En dat is natuurlijk zo. De tijden zijn allang voorbij dat een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken (Luns) op een Europese topconferentie in Parijs (bij de Gaulle) aan zijn premier (De Quay) kon vragen zijn mond te houden. Voorbij is ook de tijd dat ministers van Buitenlandse Zaken als Van der Stoel zich verzetten tegen de instelling van de Europese Raad met zijn geïnstitutionaliseerde eerste plaats van de regeringsleiders. Die Raad is er gekomen en de Nederlandse premier treedt daarin op als gelijke van rechtstreeks gekozen presidenten. Dat rijmt formeel niet met het reglement van orde van de ministerraad, waarin de premier eerste gelijke onder collega’s is. Maar iedereen weet dat dat reglement van orde en de Nederlandse wetgeving op dit stuk vromer zijn dan de werkelijkheid. Al polderend is het moeilijk regie voeren, dat hebben we zelf zo gewild.

Buiten de kring van het CDA waren er verwijten voor Balkenende omdat hij in een slepende zaak tussen het ministerie van Defensie en oud-defensiemedewerker en klokkenluider Fred Spijkers geen gebruik wilde maken van de openlijk aangeboden bemiddeling van Pieter van Vollenhoven. De premier heeft kennelijk geen bezwaar tegen bemiddeling, want dat gaat de voorzitter van de FNV, Agnes Jongerius, nu doen. Balkenende en zijn CDA-collega’s zouden het bezwaarlijk hebben gevonden dat Van Vollenhoven, die onder meer ook voorzitter is van de Onderzoeksraad voor veiligheid, „twee petten” zou dragen wanneer hij ook zou optreden namens Spijkers, schreef de Volkskrant afgelopen zaterdag. Dat is een redelijke overweging, want daardoor komt Van Vollenhoven, die lid is van het Koninklijk Huis, niet opnieuw in een positie waarin hij, zoals hij eerder deed als voorzitter van die Onderzoeksraad, kritiek meent te moeten leveren op ministers die staatsrechtelijk voor hem verantwoordelijk zijn.

Dat is een onding waarover je helaas zelden iets hoort van parlementaire of wetenschappelijke bewakers van ons staatsrecht.

Reageren kan op nrc.nl/bik (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).