Wees niet bang voor het volk, Europa

In zijn laatste stuk pleit de Poolse historicus Bronislaw Geremek, gisteren overleden, voor een nieuw perspectief op de Europese integratie.

Na het Ierse nee tegen het Verdrag van Lissabon heeft de Europese Unie vermeden overhaaste besluiten te nemen. Maar het ziet ernaar uit dat er al een plan is: de ratificatie van het verdrag afronden in de landen die dat nog niet hebben gedaan en dan van Ierland, dat alleen staat in zijn weigering, gedaan zien te krijgen dat over dezelfde tekst opnieuw een referendum wordt gehouden.

Dit plan voor een tweede referendum heeft verscheidene precedenten in de geschiedenis van de Unie en is niet in strijd met de juridische afspraken. Toch valt niet te ontkennen dat het enigszins vernederend is voor de Ieren – zou men hetzelfde durven vragen van de Fransen? Ook zou de democratische cultuur van de Europeanen eronder te lijden hebben. En hebben we wel een idee wat Europa zou doen als de Ieren bij hun afwijzing zouden blijven en nog een keer nee zouden antwoorden?

We moeten inzien dat de Europeanen van de 21ste eeuw bang zijn voor de toekomst en geen vertrouwen hebben in de Europese Unie. Zij zijn de uitbreidingen moe, vinden dat de unie ver afstaat van hun dagelijkse problemen en niet effectief is tegenover de grote problemen van nu. De stagnerende groei en het duurder wordende leven versterken de zwaarmoedigheid van de Europeanen, een fundamenteel element in het huidige psychologische klimaat in Europa.

Historici weten dat een grondwet wordt afgekondigd als het volk dat wil (dan praat men over „een constitutioneel moment”) of bij verrassing. De afgelopen acht jaren vormden zeker geen constitutioneel moment en iedere poging om de publieke opinie te verrassen is kansloos. De constitutionele plannen kwamen op een slecht moment. Om ze aanvaard te krijgen moet de urgentie ervan worden uitgelegd, en dat kan pas als de Europeanen zich eerst verzoenen met Europa. Deze ‘verzoening’ is er niet geweest. De laatste opiniepeilingen bieden weinig troost.

Wat moeten we dan doen?

De drie maanden uitstel die de Europese Unie zichzelf heeft gegeven passen in het idee dat de Ieren opnieuw zouden moeten stemmen. Maar is dat echt de enige mogelijke oplossing? Kunnen we geen ander plan formuleren?

Het staat niet ter discussie dat de nationale regeringen al het mogelijke moeten doen om de verdragen die zij al hebben getekend, te ratificeren. Het Verenigd Koninkrijk heeft het voorbeeld gegeven, de zeven resterende landen zouden hetzelfde moeten doen (drie landen, waaronder Nederland, hebben dat inmiddels gedaan, red). Daarna moet de Europese Raad de balans opmaken. Omdat een meerderheid van de landen en de burgers het verdrag heeft goedgekeurd, kan de raad volstrekt legitiem in samenspraak met de Europese Commissie en het parlement ertoe overgaan alles te effectueren waarvoor geen amenderen van het verdrag nodig is.

De Raad zou zo kunnen besluiten dat de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlands beleid permanent voorzitter wordt van de Raad voor Buitenlandse Zaken en verantwoordelijk wordt voor acties op dit terrein. Dan hebben we het ministerie van Buitenlandse Zaken – de precieze naam doet er weinig toe – dat de Unie zo hard nodig heeft.

Niets belet de Europese Raad ook om te besluiten dat de voorzitter van de Europese Commissie de vergaderingen van de Raad voorzit. Hij zou zo metterdaad de Europese instellingen vertegenwoordigen, zonder de officiële vertegenwoordiger naar buiten te zijn.

Ook zou het Europees Parlement kunnen nadenken over de mogelijkheid van een volksinitiatief op het gebied van wetgeving (met bijvoorbeeld een miljoen handtekeningen). Het Parlement zou ook kunnen werken aan versterking van de samenwerking met nationale parlementen op het gebied van Europese regelgeving. En de Europese Raad zou kunnen besluiten de rechten en prerogatieven van het Europese Parlement uit te breiden.

Dit zijn maar een paar voorbeelden waar geen nieuw verdrag voor nodig is. Maar er zijn ook veranderingen die men niet kan doorvoeren zonder verdrag. Allereerst de stemprocedure. Voor het welzijn van de EU moet zo snel mogelijk het meerderheidsprincipe worden afgeschaft. En het systeem van de gewogen stem dat in Nice is afgesproken, moet worden vervangen door dat van een dubbele meerderheid (van landen en van burgers).

Wat niet op basis van bestaande verdragen kan worden veranderd, moet worden onderworpen aan een volksraadpleging op Europese schaal, in alle landen op dezelfde dag. Eén of twee duidelijke vragen over het Europese kiessysteem, een informatiecampagne, een debat in heel Europa hierover, en dan moeten de Europeanen hierover kunnen stemmen (bijvoorbeeld tegelijk met de Europese verkiezingen).

Europa moet zichzelf een politieke dimensie geven, het moet in staat zijn met één stem te praten. Het verdrag zou hiervoor een kans bieden en tegelijkertijd een spectaculaire sprong voorwaarts zijn. De drie opeenvolgende nees van Frankrijk, Nederland en Ierland zijn bewijs van de slechte verstandhouding tussen de Europese instituties en de burgers.

In een democratische samenleving hoeven de instellingen niet te worden bemind, maar ze moeten wel doeltreffend werken en geloofwaardig zijn. We moeten de Europeanen de gelegenheid geven ‘het woord te nemen’. Wees niet bang voor het volk, wees bang voor het populisme, dat misbruik maakt van de afwezigheid van het volk op het publieke toneel.

Europa staat dus voor een belangrijke keus. Het kan doorgaan op de gebaande paden en degenen die nee hebben gezegd, opnieuw laten stemmen – en dat zou, als het al lukt, nog steeds een nationaal proces zijn. Het kan ook stap voor stap een aantal institutionele hervormingen doorvoeren en daar de mening van de Europese burgers over vragen. Dat laatste zou een nieuwe etappe naar Europese eenheid zijn.

Historicus, politicus en intellectueel Geremek was de prominentste denker over Europa in Polen. Dit is een lichtbewerkte vertaling van zijn artikel op 28 juni in Le Monde.