Stinkedorus

Welke rookwaar, denkt u, heeft de meeste sporen nagelaten in het Nederlands? De pijp, de sigaar of de sigaret?

Op het eerste gezicht zou je denken: de sigaret. In de afgelopen eeuw, zeker sinds de Tweede Wereldoorlog, was de sigaret immers oppermachtig. Overal te zien en op te steken. Een genotmiddel dat zo aanwezig is geweest, móet wel invloed hebben gehad op onze taal. En inderdaad, er bestaan zeker twintig woorden voor ‘sigaret’. Te denken valt aan blazertje, heinzie, inhalertje, grafnagel, kankerstaafje, kankerstokje, nicotinestaaf, paffer, pennetje (een Bargoens woord), peuk, piraatje, rokertje, saffie, safiaantje, sassie, smakkie, smokertje, stinkstok en strootje (laatstgenoemde voor een zelfgemaakte sigaret). Veel van deze woorden hebben een rijke en interessante geschiedenis, maar daarover later meer.

Er bestaan tientallen woorden voor bepaalde typen sigaren – van bolknak tot havanna – maar het aantal volksnamen is gering. Van Dale kent krijgertje in de betekenis ‘gekregen sigaar die slecht blijkt’, bokje, pinker, stinkbok, stinkstok en stinkedorus voor ‘slechte sigaar’, stinkhout als schertsnaam en strootje voor ‘zeer lichte sigaar’. Zoals u ziet kan strootje zowel voor ‘sigaar’ als voor ‘sigaret’ worden gebruikt; dat geldt voor meer woorden.

Ruim twintig woorden voor ‘sigaret’ en (als je alle typeaanduidingen meetelt) tientallen woorden voor ‘sigaar’, het mag veel lijken, maar het is niks in vergelijking met de positie die de pijp in het Nederlands heeft verworven. Bij nader inzien is dat logisch, want het begon natuurlijk allemaal met de pijp.

Even een korte cursus tabaksgeschiedenis. In de eerste helft van de zestiende eeuw leerden de Europeanen tabak kennen in Midden- en Zuid-Amerika. De Maya’s en Azteken rookten toen al eeuwen tabak. Er zijn tempelreliëfs gevonden waarop we Mayapriesters zien genieten van een pijp – een langwerpige, rechte buis. We zien kringelende rookslierten, we zien vallende as en we zien priesters lui liggend roken, de benen gekruist. Tabak werd toen door de inheemsen vooral gebruikt tegen dorst en vermoeidheid.

Spaanse en Portugese zeelieden brachten de tabaksplant mee naar Europa en omdat de plant werd gepresenteerd als een absoluut ‘wonder cruijdt’, verspreidde hij zich in de tweede helft van de zestiende eeuw in een razend tempo over heel Europa. Tabak (het woord komt uit het Spaans) werd niet alleen gerookt, maar ook vermengd met siroop en suiker, met olijfolie, water, wijn, enzovoorts.

In een boek uit 1588, een Nederlandse vertaling van een Frans werk, lezen we bladzijdenlang over de „sonderlinghe crachten” van dit „nu onlancx in dese landen bekent gheworde cruydt”. Het zou helpen tegen wonden en zweren, tegen hoofdpijn, verkoudheid, tegen „Longersucht oft den verouderden hoest”, tegen wratten bij paarden – het gaat maar door.

In dit boek lezen we ook voor het eerst over de pijp, zij het dat dit woord ongenoemd blijft. Van de inwoners van Florida is bekend, zo lezen we, dat zij het kruid roken „deur middel van eenich fatsoen van hoorne”. De indianen „ontsteke de bladers aen dat eynde vande hoorneken ende ontfanghen den roock so vele als sy moghen met openen monde”.

Zie hier de eerste Nederlandstalige beschrijving van de pijp. En het startpunt van een rookepidemie die eeuwen zou aanhouden en zou leiden tot waarheden als koeien zoals deze op talloze pijpenrekjes: „Het is geen man, die niet roken kan.”

Ewoud Sanders