Hij viste, en ik was voornamelijk erg ongelukkig

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag deel 1: Wijk aan Zee in 1984.

Mijn moeder had een vriend en die vriend hield van vissen, en dan niet de mietjesvariant van langs-de-sloot-zitten met een reiger ernaast, nee – hij was een vent, hij viste in zout water. Dus we gingen op de camping in Wijk aan Zee staan. Mijn moeders vriend had ergens een kleine caravan gekocht en die ging aan de trekhaak van de oude Volvo, ik ging achterin de Volvo (het was 1984 en ik was veertien), mijn zus en haar beste vriendin (allebei 16) gingen in de caravan en zo reden we erheen.

Nu fiets ik van station Beverwijk naar Wijk aan Zee. Onderweg rijdt een man op een brommer me tegemoet – hij heeft een foedraal met hengels aan zijn frame. Ik ben precies één dag te laat voor het dorpsfeest, zie ik op een banier dat op een viaduct is gespannen; maar ik speel ook vals door op maandag te gaan. Maandag is nergens leuk.

Nog iets verder een aankondiging voor een zeepkistenrace: Wijk aan Zeep. Woordgrapjes kunnen pijn doen.

Wijk aan Zee is Het Veld: het dorp is als een atol om een groot stuk gras heen gebouwd. Het veld is drie, vier voetbalvelden groot. Er staan een paar paarden. Een meisje heeft één van de paarden gezadeld en stapt. De andere paarden kijken.

Strandplaatsen in Nederland zijn per definitie lelijk. Misschien omdat er geen bomen kunnen groeien en al het steen wordt aangevreten door het zout, maar misschien ook omdat het ooit zo afgesproken is. Om mensen die lang niet naar de zee zijn geweest een beetje minder blij te maken bij aankomst.

Ik fiets langzaam door het dorp. Het straatje met de barretjes is leeg. De sigarenman waar ik voor een kapitaal aan strips heb gestolen, strips die ik later heb begraven omdat ik niet zou kunnen verklaren hoe ik eraan kwam, bestaat niet meer. In de trein bedacht ik dat ik ‘m misschien wat schade kon vergoeden, maar misschien heb ik ’m in 1984 failliet bestolen.

De midgetgolfbaan bestaat nog steeds. De baas heeft bedacht dat het nu een duinpark is.

1984: De beheerder wees een plek op het doortrekveld aan, en toen ik de auto uitstapte en het dichtstbijzijnde duin opklom, zag ik een stad van staal met heuvels van zwarte kolen direct achter ons – de camping lag op honderd meter van de Hoogovens van IJmuiden.

Ik vond het briljant. Jongetjes van veertien kunnen de neiging hebben zulke dingen briljant te vinden. Mijn zus en haar vriendin wilden meteen terug naar huis.

Nu: ik fiets de heuvel over en de camping bestaat niet meer.

Mijn moeder sopte de caravan zoals een moeder hoort te doen, maar op die camping moest dat iedere dag, anders werd de roetlaag te dik en had het roomwitte caravaninterieur een zwartgrijze glans. Het was te verwachten dat-ie er niet meer zou zijn – de camping was een lawsuit waiting to happen.

Mijn zus en haar vriendin overtuigden mijn moeder en haar vriend dat ze best wel alleen thuis konden zijn in Amsterdam, ze waren al zestien, en mijn moeder moest na een week weer aan het werk, dus alleen haar vriend en ik bleven over.

Hij viste op de Noordpier, ik was voornamelijk erg ongelukkig, en ik vond het heerlijk. Ongelukkig zijn is een serieuze aangelegenheid voor jongens van veertien, namelijk.

Nee – de camping bestaat niet meer. In de duinpannen waar de caravans stonden, staat nu kunst: grote objecten van metaal. Ik fiets naar het hek, en het bord zegt dat de kunst ‘Zee van staal’ heet. Nogmaals: woordgrapjes kunnen pijn doen. Hier heeft een gemeenteraad over vergaderd. Hobbypolitici die een olijke naam hebben aangenomen, een klap met de hamer en iedereen tevreden. Ik ga het hek door en klim het duin op waar ik 23 jaar geleden ook op klom. De hoogovens staan er majestueus, dreigend, en het is onmogelijk dat zoiets groots ooit door mensenhanden gemaakt is. Daar moeten grotere machines voor nodig zijn geweest, en voor die machines wéér grotere machines. Kathedralen werden vroeger gebouwd om de simpele mensen in God te laten geloven; zoiets groots kan nooit door mensen zijn gemaakt. Ik denk dat ik in God geloofde, die eerste dag op de camping.

Terug de weg op. Aan de overkant lagen de bunkers, en die waren van mij. Toen ik veertien was, vond ik dat niemand anders wist dat ze bestonden, maar nu zie ik dat ze gewoon zichtbaar zijn vanaf de weg. En halverwege, tussen de camping die niet meer bestaat en de Noordpier, is mijn lievelingsbunker uitgegraven en omgebouwd tot café. Ik sta even stil en ik gruw. Ik kijk er een tijdje naar en misschien was dit 23 jaar geleden al zo, vergis ik me in de bunker en was dit ding me toen nooit opgevallen – als iets niet boeiend was, was het wel een uitgaansgelegenheid.

Ik fiets verder. De weg wordt een parkeerplaats, berekend op heel veel auto’s, en daar weet ik zeker van dat het vroeger anders was; vroeger was er een terreintje aan het eind voor de vissers en de mensen die over de pier wilden wandelen. Niemand kwam hier voor het strand, want door die pier was het strand veel te diep: je moest van de duinenrij vijfhonderd meter lopen voor je bij het water was, en dat is nog steeds zo, maar dat is niet erg meer, kennelijk. Er staan strandtenten, en er zijn een paar mensen: surfers. Jongens met natte krullen en bodysuits en planken onder hun arm. Brandingsurfers. Veel stoerder dan de windsurfers uit 1984.

Op de pier staat een man te vissen. Hij heeft twee hengels en een waxcoat. Verderop nog wat vissers. Ik fiets naar ze toe. De een is aan het kijken hoe de ander ophaalt: hengel optillen, draaien aan de reel tot de hengel weer horizontaal staat, en dan weer optillen.

Ik fiets terug. Op de lege parkeerplaats staat een rijlesauto stil; de instructeur is zijn leerlinge aan het instrueren.

Terug in het dorp haal ik een patat met en een mexicano. Ik vraag het meisje achter de vitrine hoe het zit met dat veld. Van wie dat is en waarom het er nog steeds is.

Ze zegt dat het van een boer is en dat het er altijd is geweest. Dat er van alles wordt georganiseerd daar – dit weekeinde nog, met het feest. Ze zet mijn patat en mexicano neer. Ik zeg dat ik vroeger op de camping stond, waar nu die kunst staat. Dat ik nog steeds een beetje ongelukkig word van Wijk aan Zee, maar dat ik dat vroeger leuker vond, ongelukkig zijn. Ze zegt er niets op terug.