Hard naar boven

Hij verdient een ronkende aankondiging als in een circuspiste.

‘Dames en heren. Hij is zo licht als een veertje, heeft een natuurlijke hematocriet van ver boven de 50. Zijn bloed is zo dik als de vetste stroop. Uw applaus voor Riccardooo Riccooo!’

De winnaar van de eerste Pyreneeënetappe kwam als geroepen. Met een verbluffende solo verstomde hij het gemor in de Tour de France over het vermeende dopinggebruik van Manuel Beltran.

Gistermiddag stond een nieuwe held op. Riccardo Ricco was de naam. Hij wilde aanvallen en moe over de streep komen. De vergelijking met Marco Pantani drong zich op. Een uitgebeende renner die met souplesse op zijn trappers stond en niet zo berekenend fietste. Als een jongetje dat de verleiding van steil oplopend asfalt niet kon weerstaan.

Zo hard als je kunt naar boven, was het devies van Ricco.

De Italiaanse renner raasde met een mooie knik in zijn armen de straten van de finishplaats binnen, het plaatsje Bagnères-de-Bigorre. Ik sliep er halverwege de jaren tachtig ooit met vakantievrienden in een hotel tijdens een doorkomst van de Tour de France. Het was de eerste keer dat ik fotograaf Klaas Jan van der Weij ontmoette.

Van der Weij sliep in hetzelfde bordkartonnen hotelletje. Met het stof van de motorrit nog op zijn gezicht, ontwikkelde hij direct na de etappe zijn fotorolletje in de wasbak. Met het negatief nog vochtig van de fixeer, leverde hij dramatische foto’s in zwart-wit aan de krant. Het woord digitaal bestond nog niet.

Een peloton bestaat nooit uit alleen maar mannen die Ricco heten. Even leek het afgelopen weekend in het teken te staan van zondaar Beltran, de 37-jarige wielrenner die vanwege epogebruik als een laaielichter in de boeien werd geslagen en door de Franse politie werd meegenomen.

Epo. Hopeloos ouderwets goedje. Veel te gemakkelijk op te sporen. Als je doping wilt gebruiken, ga dan met de tijd mee. Bewandel nieuwe wegen. Epogebruik is in deze tijd net zo doorzichtig als het urinepeertje van Pollentier in de Tour van 1978.

Het beste antwoord op de betrapte Beltran kwam van Michael Boogerd. Hij vertelde op tv dat de laatste vijftig jaar altijd wel een renner gepakt was. Verder niet te veel woorden aan vuil maken. Fietsen maar weer.

Boogerd klonk laconiek, tegen het vrolijke aan. Ik dacht aan mijn ontmoeting met Wim van Est. Die man kon in zijn nadagen met plezier vertellen over het slikken van pervetientjes, of ‘pepmannen’ zoals hij de wonderpilletjes noemde. Doorbijten en racen maar.

De kraalogen van Wim van Est begonnen te glimmen als hij vertelde hoe hij en de gelovige Gino Bartali in een klooster moesten overnachten bij de nonnen. De vrome Bartali die daar stiekem een peukje rookte. ‘Gelachen met die Gino, och, och, och!’

Riccardo Ricco reed op de Col d’Aspin. Beltran bestond niet meer. Ik zag Ricco met een fraaie rug, solo klimmend op een berg tussen twee rijen publiek door. Net na de finish stonden fotografen klaar om het zegegebaar digitaal vast te leggen en in kleur naar hun krant te zenden.

Was de aanval van Ricco een voorbeeld van het zo vaak rondgebazuinde ‘nieuwe’ wielrennen? Ben je belazerd. Ik zag een man, strijdend op een fiets. Ouderwetser kon het haast niet.