Gute Nacht, Freunde

Ik moet niet overdrijven, zo veel vrienden maak je niet als columnist. Dat wist ik zestien jaar geleden nog niet. In de zomer van 1992 ontmoette ik twee heren van NRC Handelsblad in grand café De Jaren in Amsterdam. Ik was toen redacteur bij De Groene Amsterdammer, maar deze heren hadden een aanbod dat ik niet kon weigeren: columnist bij het beste dagblad van het land. Ze speelden good cop bad cop geloof ik, want de ene was enthousiast en wilde meteen aan de slag, de andere was afhoudend en wilde weten of ik dacht dat ik het aankon. Strikvraag. Maar juist deze bad cop werd mijn beste vriend bij de krant.

In de eerste maanden begreep ik wat een columnist te verwachten heeft: pure, zuivere, onverbloemde haat: van de tien brieven per column waren er acht in de geest van wie-denk-je-wel-dat-je-bent.

Bij de eerste kerstborrel van de krant kwam de toenmalige hoofdredacteur naar mij toe en zei: „Jij bent de nieuwe columnist hè? Ik begrijp niets van je stukken.” Dat moest ik beschouwen als opbouwende kritiek, zei de bad cop.

Een half jaar later werd ik geïnterviewd door een journalist die vroeg of ik als columnist was aangenomen omdat ik een allochtoon ben. Ik zei: Ik hoop het. Hij schreef: Ik denk het. Trammelant bij de krant, de bad cop vroeg of ik goed wijs was. Ik hoopte het echt, ik hoopte dat ik was aangenomen als kleurling in een tijd waarin er nauwelijks gekleurde columnisten waren. Was ik een voorstander van positieve discriminatie? Lastig, positieve discriminatie heeft zijn nadelen (selectie op kleur in plaats van kwaliteit) en zijn voordelen (het besef dat de samenleving niet alleen bestaat uit witte mannen van in de veertig). Als reactie op die twijfel werden mijn eerste stukken onbedoeld koket en quasi geleerd.

Maar dit zijn andere tijden. Het besef dat je de rijke schakering in de maatschappij moet terugvinden in de media is enigszins doorgeslagen: in deze krant heb ik een keer – buitengewoon oncollegiaal – de stukken van Afshin Ellian geëvalueerd, iemand van wie ik echt denk dat hij is aangenomen vanwege zijn afkomst, en niet vanwege het feit dat hij een goede column kan schrijven, of dat hij überhaupt kan schrijven. Ik vond zijn meningen van een hoog redneck-gehalte, zijn taal direct afkomstig uit de Statenbijbel, zo nu en dan opgesmukt met een Perzisch aandoend versje. Het enige wat ik bereikte, was dat hij die versjes nu achterwege laat, maar ik vind dat al heel wat.

Maar even serieus, overal zie je tegenwoordig columnisten met on-Hollandse namen, wat goed is, uitstekend zelfs, maar vaak bekruipt mij de angst dat alleen het nadeel van positieve discriminatie lijkt te worden gedemonstreerd. Geforceerde nestbevuiling, schaapachtigheid, saaie teksten, gespeend van ironie. Neem nou zo’n Nausicaa Marbe van de Volkskrant; ik lees haar altijd, omdat puberale hysterie mij interesseert. Of Sylvain Ephimenco in Trouw: ik lees hem met ’n oog dicht, omdat ik bang ben dat zijn stijl besmettelijk is. Maar goed, zelfs een oer-Hollandse naam als Theodor Holman van Het Parool stelt niet gerust.

Om bij Gute Nacht te blijven: ik heb in de afgelopen zestien jaren 4.560 sigaretten gerookt tijdens het schrijven van de columns. Ik teken dit nadrukkelijk op, teneinde een schadeclaim te kunnen indienen bij de krant als er straks iets met mijn longen is, en nu ga ik iets anders doen. Ik word godsdienstcorrespondent, zoals de huidige hoofdredacteur het formuleerde. Pardon? Ik, een ongelovige hond? Vrees niet: ik ga niet schrijven over geloof, maar over godsdienst. Zoals Karen Armstrong het zegt: Gods-dienst, dat is iets doen, een ritueel, een handeling, een daad die te beschrijven is, zonder dat je zelf hoeft te vinden of het nut heeft. Of zoals V.S. Naipaul het zei: iets heilig vinden is een begin van beschaving, of het om een boom gaat, een beeld, een boek, een klank, een gebaar: wie niets heilig vindt, is tot barbarisme gedoemd.

Tegelijkertijd ben ik het eens met onze filosoof Frits Staal, die in zijn boek Over zin en Onzin schreef dat rituelen in essentie betekenisloos zijn. Men doet iets, in een bepaalde volgorde, met zorgvuldig gekozen spullen en klanken en gebaren, en men geeft er een interpretatie aan, maar die interpretatie is arbitrair; het is, zoals Frits Staal het zegt, „maar wat zeggen”.

Lijkt me een mooi uitgangspunt en een mooie opdracht, godsdienstcorrespondent, voorlopig tweewekelijks op de Achterpagina, met een foto van Luciana Caputo erbij. Op reportage in tempels, moskeeën en kerken, soms huiskamers, gewoon kijken en beschrijven hoe mensen tot beschaving proberen te komen. Want beschaving, het blijft een klus.

En toch, ik zal deze column missen. Mijn huisgenoten niet, denk ik, want als het mijn columnweekend was, was ik niet te genieten. Maar zo’n column scherpt het verstand, dwingt je tot een standpunt, een invalshoek, en ondanks alle hatemail die ik in de loop der jaren heb verzameld, is het soms dankbaar werk. Ik loop nog steeds rond met een briefje in mijn agenda, handgeschreven op gelinieerd papier, uit Haarlem, 8 maart 1994: „Beste Anil Ramdas, dit briefje is niet bedoeld om in te gaan op de inhoud van je stukjes of om met je van mening te verschillen, maar om je te laten weten hoe prachtig ik ze elke keer weer vind. Het zijn de pareltjes van NRC Handelsblad. Hartelijk dank.” Was getekend, Mevr. M. Vermeer.

In de enveloppe zit een bloemenbon van vijftien gulden, in te wisselen bij Fleurop Interflora.

Dit is de laatste bijdrage van Anil Ramdas als columnist op de Opiniepagina. Op 28 juli begint hij de rubriek Hemel & aarde op de Achterpagina.

Reageren kan op nrc.nl/ramdas