De stem centraal op North Sea Jazz

De 33ste editie van het North Sea Jazz Festival trok dit weekeinde ruim 69.000 bezoekers.

Hoogtepunten: José James en Sharon Jones.

Het gedrang was als vanouds op de 33ste editie van North Sea Jazz, de derde in Rotterdam. Met ruim 69.000 bezoekers over drie dagen, een meer dan uitverkochte zaterdag, een bijna uitverkochte vrijdag en een veel rustiger zondag neigen de bezoekersaantallen alweer naar de recordcijfers in oude, Haagse tijden.

Ook erg vertrouwd was de combinatie van grote namen, obscure klassieken en nog net niet ontdekt of doorgebroken talent. De stem in de muziek stond deze editie centraal. Dus was er een onnoemelijk groot aantal vocalisten, vaak van het publieksvriendelijke soort. Met zingende vertegenwoordigers uit mainstream- en avant-garde jazz, pop, soul, blues en wereldmuziek waren de stilistische begrenzingen opnieuw prettig ruim genomen.

Oude, beroemde bekenden kwamen voorbij, zoals een wat koel overkomende Paul Simon die verzandde in een kabbelend concert met Afrikaanse motieven als leidraad. Maar souldiva Chaka Khan revancheerde zich met een stevige, van gospel doordrenkte set voor haar schreeuwerige jazzprogramma in 2005.

Dringen was het bij de jonge categorie vocalisten: Melody Gardot, José James en Lizz Wright. Bij de laatste werd zelfs de roltrap naar de zaal afgezet, omdat het er bomvol was. Ondanks een keelontsteking kon James laten horen waarom hij hét talent van nu is: jazz zonder clichés, maar met een street attitude voor een laaiend enthousiast publiek. Ook Yael Naim overtuigde aan de vleugel met haar opgewekte Hebreeuwse soul.

Ronduit ingetogen waren Diana Kralls triovertolkingen van standards. Ook al zijn het platgespeelde stukken, haar lijzige, maar doordringende versies kwamen aan.

Heel wat uitzinniger was de kolkende show van Sharon Jones – een van de topoptredens op North Sea Jazz 2008. Ze heeft een enorme persoonlijkheid, is schaamteloos en heerlijk direct. Gedragen door de pakkende oldschool-sound van de funky blazers in haar band The Dap-Kings, ging ze pittig door het lint met ijzersterke retrosoulknallers. James Browns It’s a man’s man’s man’s world kreeg een geheel andere betekenis toen zij het onder handen nam: vrouwen hebben er een nieuw feministisch lijflied bij.

Crazy zou na drie drukke dagen het lijflied van alle festivalgangers kunnen zijn. Dat is ook het enige echt memorabele liedje van Gnarls Barkley, de groep van de omvangrijke zanger Cee-Lo Green en de op Hammond-orgel schmierende producer Danger Mouse. Met een grotendeels blanke band, gekleed in preppy spencers, leverde men een aardige, in een slecht geluid verzuipende pastiche van allerlei stijlen, van prikkende funk tot aalgladde West Coast-pop.

Net toen we dachten dat Gino Vannelli zijn glij-imago uit de jaren tachtig van zich af had geschud, liet hij zich in dit concert met ‘The Dutchbeat’, een verzameling Nederlandse musici, weer zien met wit strakzittend pak, hoge, zwart krullende haardos en zwarte zonnebril. I just wanna stop, zong hij, de armen weer gespreid als het sekssymbool van twintig jaar terug, precies timend wanneer het publiek zou smelten. Maar vooral zijn stem trok de aandacht: rijker, voller en interessanter dan toen. Dat werd bevestigd toen hij de oude hits even vergat en zich in duovorm met de jazzpianist Bert van de Brink liet horen. Er zat fluwelen tederheid in de noten.

Het beloofde aandeel Joni Mitchell in de tweede show van pianist Herbie Hancock op dit festival viel een beetje tegen: slechts twee nummers. Hancock en zijn ijzersterke kwintet, waarin kopstukken als bassist Dave Holland, powerdrummer Vinnie Colaiuta en saxofonist Chris Potter, speelde de popgeoriënteerde jazz van het album Possibilities plus gemoderniseerde, oude hits als Cantaloupe island. Onvergetelijk was, aan het slot, zijn blik op het horloge tijdens een funky solo op zijn campy ‘keytar’, een toetseninstrument gedragen als gitaar: jongens, ik begin eigenlijk nog maar net.

Hancocks oude partner, saxofonist Wayne Shorter, ging met zijn kwartet zeldzaam abstract en hermetisch te werk, vol korte, versnipperde frases en hortende ritmes, en joeg het publiek daarmee met bosjes tegelijk de zaal uit. Daarmee misten ze hoe Shorter zijn muziek samen probeerde te smelten met een blazerskwintet van klassieke snit. Dat kwam niet echt uit de verf, maar Shorter durft tenminste wel.

Durf is alles, zeker voor wie op zoek gaat naar de jazz op zo’n ontzagwekkend breed opgezet festival. De avontuur en de vrijheidszin die als vanouds bij die muziek hoort, laat zich vinden op onverwachte plekken. Acoustic Ladyland en Led Bib, twee jonge Britse groepen, gingen messcherp en volumineus te werk waarbij vooral het verfrissende gebrek aan stijlbegrenzingen bij de eerste band prettig trof. Metal, gabber, free jazz: in hun wereld zijn het stekelige bouwstenen voor vurige jazz. Het hip in de markt gezette pianotrio The Bad Plus is minder goed dan de juichende ontvangst deed vermoeden: pittig, maar te figuratief en voor de hand liggend.

Doorkijkjes naar de jazzhistorie horen erbij, op zo’n festival. De spectaculaire rietblazer James Carter, die opkwam met een bos instrumenten onder de arm, opende zijn set met het tachtig jaar oude Chant in the night van Sidney Bechet. Hij stofte met veel aplomb enige oude jazzstukken af, met het 22-jarige trompetwonderkind Curtis Taylor aan zijn zijde. Charlie Haden verbaasde zich hardop over de ouderdom van Lonely woman, dat hij al in 1956 opnam met Ornette Coleman. Het kreeg van zijn Quartet West, toch al gespitst op sfeer en emotie in oude jazzvormen, een elegante lezing mee. De 81-jarige altsaxofonist Lou Donaldson had weer een heel andere manier om het vorderen van de tijd te markeren: met volvette grappen over de geneugten van Viagra.

Beluister interviews op nrc.nl/kunst/northseajazz