De monseigneur is streng, voor zichzelf en anderen

Aartsbisschop Eijk is een half jaar aan de slag in het noodlijdende bisdom Utrecht. Hij saneert rigoureus. Dat wekt kritiek: „Communicatie is niet zijn sterkste kant.”

Op deze zondag zit de rooms-katholieke Calixtuskerk in Groenlo bijna vol; er kunnen 850 mensen in ‘de kathedraal van de Achterhoek’. Orgel en trompet spelen Trumpet Voluntary van Jeremiah Clarke terwijl een hoge gast door het gangpad schrijdt. Twee misdienaars, vier priesters en een pastoraal werker gaan hem voor. Het is aartsbisschop Wim Eijk, op bezoek omdat de St.Calixtus honderd jaar bestaat. En hij is hier om kennis te maken met de parochie. Tijdens de mis valt zijn stevige zangstem op. Hij nodigt de kerkgangers uit hem na de dienst aan te spreken.

Zo bezoekt de 55-jarige Eijk elke week zijn parochies sinds hij in januari is geïnstalleerd als aartsbisschop van Utrecht. Het aartsbisdom telt 750.000 parochianen, verdeeld over 312 parochies. Het aantal parochies moet drastisch omlaag, want het aartsbisdom ondergaat een ongeëvenaarde reorganisatie- en bezuinigingsoperatie.

Voordat Eijk aartsbisschop werd, was hij acht jaar lang bisschop van Groningen, met 116.000 katholieken een schaal kleiner. Zijn benoeming daar liet nogal wat stof opwaaien, vooral nadat Eijks collegedictaten over homoseksualiteit bekend werden. Eijk omschreef homoseksualiteit als een neurotische ontwikkelingsstoornis. Homo’s zouden ook niet tot ‘echte liefde’ in staat zijn. Heel progressief-katholiek Nederland viel over de bisschop heen.

In 2000 maakte hij een einde aan de zelfstandigheid van het Diocesaan Pastoraal Centrum van het bisdom. Om ‘pijnlijke problemen te voorkomen’, heette het, maar volgens critici wilde de bisschop zijn zeggenschap over mondige leken vergroten. Eijk trok de teugels aan. Hij schoof de dekens, de gekozen vertegenwoordigers van priesters en pastorale werkers, aan de kant.

Maar dat was niet het enige waarmee Eijk, arts en moraaltheoloog, de aandacht op zich vestigde in Groningen. Hij toonde zich een kordaat bestuurder. „Een dynamische man”, zegt Floris Andringa, lid van de Raad voor Economische Aangelegenheid (REA) van het bisdom. Typerend noemt hij Eijks keuze voor één bisschopshuis. Voorheen beschikte het bisdom over drie locaties, twee in Groningen, een in Assen. Maar Eijk wilde een enkele plek voor woning en kantoor. Het werd de Ubbo Emmiussingel, een statige laan in Groningen – het moet tenslotte wel enig cachet hebben.

Andringa was toen tegen die operatie. Ze kostte circa 12 miljoen gulden, en had ook personele gevolgen. Tot ontslagen leidde dit „gelukkig nauwelijks.” Achteraf gezien een juiste beslissing, vindt Andringa. „Eijk zag het beter dan ik.”

Het katholieke leven in het noordelijke bisdom is onmiskenbaar veranderd onder Eijk. Er kwamen bedevaarten naar Rome, Lourdes, Kevelaer, bussen met honderden mensen tegelijk. „De aartsbisschop is daar wel op gesteld”, zegt Paul Verheijen. „Als zo’n groep vanuit het bisdom bij de paus op algemene audiëntie is, dan is hij daar ook trots op.” Verheijen is pastor in Dokkum. Daar wordt sinds 2007 de jaarlijkse Bonifatiusprocessie weer gehouden, een bidtocht naar de Bonifatiuskapel. Dat was sinds 1954 niet meer gebeurd. Iedereen is in vol ornaat, er zingt een koor mee, er worden vlaggen meegedragen, een kruis, kandelaren. Een zichtbare demonstratie van geloof. Vorig jaar waren er 175 deelnemers, dit jaar waren het er 350. „We zijn voorzichtig begonnen”, zegt pastor Verheijen, „omdat we hier in een protestantse omgeving zitten. Maar de reacties waren heel positief.” De bisschop liep mee, achteraan, zoals dat gebruik is bij katholieke optochten. De processie is in Dokkum bedacht, maar het sluit aan bij dingen die Eijk zelf nastreeft. „Het zal ook zeker te maken hebben met de tijdgeest”, denkt Verheijen. „Wat dat betreft, heeft Eijk de wind mee.”

Ook als het om het pastoraat gaat, ligt Eijks kracht vooral op organisatorisch terrein. Hij tilde in Groningen jongerenpastoraat van de grond. Er is een jongerenwerker aangesteld. „Eijk heeft ook gezorgd voor nieuw, fris catechesemateriaal.” Vanuit het bisdom Groningen vertrokken vorige week 56 jongeren naar Sydney, Australië, voor de Wereldjongerendagen. Zo’n reis kost 2.300 euro, het bisdom Groningen betaalt daar 1.000 euro van. Het aartsbisdom Utrecht, waar Eijk op 26 januari van dit jaar werd geïnstalleerd, doet dat niet voor zijn jongeren. Daar kunnen ze dat niet betalen.

Willem Jacobus Eijk was niet voor aartsbisschop in de wieg gelegd. Hij werd op 22 juni 1953 in Duivendrecht geboren, onder de rook van Amsterdam. Zijn vader was doopsgezind en zijn moeder rooms-katholiek. Omdat de katholieke lagere school het dichtst bij was, kreeg hij katholiek onderwijs. „Eigenlijk is hij min of meer bij toeval katholiek geworden”, aldus Hans Zuijdwijk, kanselier van het bisdom en rechterhand van Eijk. Eenmaal bekend met het katholicisme voelde hij zich sterk tot het priesterschap aangetrokken. Eijks moeder overleed toen hij 18 was. Hij ging medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn afstuderen als arts in 1978 liet hij zich als priesterstudent inschrijven bij het Grootseminarie Rolduc van het bisdom Roermond. Tegelijk studeerde hij medische ethiek in Leiden, waar hij in 1987 promoveerde op een proefschrift over genetische manipulatie. In 1987 vertrok hij naar Rome, waar hij in 1990 afstudeerde in kerkelijk recht. Daarna doceerde hij moraaltheologie, eerst in Rolduc en vanaf 1999 als hoogleraar in Lugano, Zwitserland. Kort daarna werd hij gevraagd bisschop van Groningen te worden.

Paul van Geest, hoogleraar patristiek aan de Universiteit van Tilburg, bewondert nog altijd de werkkracht die Eijk als student in Rome aan de dag legde en toont zich jaloers op diens zelfdiscipline. „Het was een mooie tijd in het Nederlands college in Rome. De kamer van Eijk was naast die van mij. Hij was een prettige huisgenoot. Als er weer eens een avond hevig gebrald was op mijn kamer, dan zei hij daar wel wat van de volgende dag, maar nooit op een onvriendelijke manier. Wij spotten wel met hem, we vonden hem wel een werkezel. Als hij even weg geweest was, zeiden we: ‘Wim, ben je wezen wandelen of heb je je proefschrift afgemaakt?’ Daar kon hij goed tegen. Als ik op die tijd terugkijk, moet ik zeggen dat het een soort bisschoppenfabriek was in Rome. Zeker tien van de twaalf jongens met wie ik studeerde zijn nu ergens in de wereld bisschop.”

In Utrecht betekende de installatie van monseigneur Eijk een complete cultuuromslag voor het aartsbisdom. De beminnelijkheid van zijn voorganger Simonis, de man van de kleine attenties, die persoonlijk kaarten stuurde ter gelegenheid van verjaardagen en jubilea, maakte plaats voor een nieuwe zakelijkheid. Simonis reed zelf als hij ergens heen moest, Eijk heeft een auto met chauffeur en werkt onderweg zijn post af.

De omstandigheden maakten een efficiencyslag nodig, zegt Zuijdwijk. Als kanselier bereidt hij de beslissingen van de aartsbisschop voor en zorgt hij voor de uitvoering. Ook treedt hij, na het gedwongen vertrek van de als progressief bekendstaande Loek Sinselmeijer, op als diens woordvoerder. Eijk en Zuijdwijk trekken intensief met elkaar op. Na de dagelijkse vroegmis, om kwart voor acht in het bisschopshuis aan de Utrechtse Maliebaan, ontbijten ze samen. En ’s avonds om zes uur eten ze samen een boterham om ‘de klokken gelijk te zetten’. Daarna werken ze vaak tot ’s avonds laat door.

Zuijdwijk zegt nooit verbaasd geweest te zijn over de benoeming van Eijk in Utrecht. „Hij is een capabel bestuurder. Bij mijn werkzaamheden voor de Nederlandse kerkprovincie was hij de bisschop met wie ik het prettigst werkte. Als je zijn vertrouwen hebt, dan krijg je de ruimte.”

Communicatie is evenwel niet het sterkste punt van Eijk, merkt Eduard Kimman op, hoogleraar bedrijfsethiek aan de Vrije Universiteit en tot 1 juni van dit jaar secretaris-generaal van de Nederlandse bisschoppenconferentie. „Eijk praat met een aantal mensen, maar dan neemt hij een besluit en daar gaat hij dan voor. Hij bezigt geen omzichtige taal. Soms dreigt hij daardoor de eenzame beslisser te worden die een arts soms ook is. Hij stelt de diagnose, maar zonder zich af te vragen of de patiënt en zijn familie die kunnen verdragen.”

Hij is streng voor zijn omgeving, maar ook streng voor zichzelf. In 2001 werd de bisschop getroffen door een hersenbloeding en moest hij zijn bisdom lange tijd aan zijn beide vicarissen overlaten. Dat viel hem zwaar. Zijn wapenspreuk is niet voor niets Noli recusare laborem (weiger het werk niet). Agda Wachter uit Meppel, die als bisschoppelijk gedelegeerde het contact tussen de kerk en het katholieke onderwijs onderhield, vindt dat veelzeggend. „Ofschoon hij ziek was, ging hij door. Offervaardig zou ik zijn houding bijna noemen; wat moet gebeuren, gaat gebeuren. Als hij een bepaalde lijn inzet, dan wordt deze voortgezet, ook al is dat heel lastig.”

Heeft Eijk eenmaal een beslissing genomen, dan staat hij er ook voor, bevestigt Zuijdwijk. „Hij ligt daar niet wakker van.” In Utrecht moesten snel impopulaire maatregelen genomen worden. De situatie was nog veel beroerder dan eerst gedacht, zegt Zuijdwijk. „Als er niets gebeurde, dreigde in 2009 gewoon liquidatie.”

„Het is kenmerkend voor deze bisschop dat hij zegt: ik doe het in één keer, dan hoef ik het niet elke keer een beetje te doen”, zegt Henk Bloem, deken van Utrecht, die toevoegt dat ‘bijna iedereen’ snapt dat er financieel iets moest gebeuren. Maar dan blijft de vraag: hóe doe je dat.”

Inmiddels heeft Eijk besloten de vijf dekenaten, de regio’s waarin het bisdom is verdeeld, op te heffen. Het bestuur wordt gecentraliseerd. Daardoor vervallen 45 functies. Voor ondersteunend personeel wordt ontslag aangevraagd, het pastorale personeel kan in de nieuwe parochies aan het werk, die ontstaan doordat de huidige 312 in 45 grote parochieverbanden worden samengebracht. Bij het bisdom zelf werken meer dan zestig mensen. Van hen zal ook ruim een derde worden ontslagen.

Daarmee lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Ook in Utrecht heeft monseigneur Eijk zijn eigen staf om zich heen verzameld. En net als in Groningen bekleden deze mensen nu de beleidsfuncties.

„Mensen die een groot verleden hebben in dit bisdom, zijn op een zijspoor gezet”, zegt deken Bloem. „Als dekenaat zijn we trots op het goede contact dat we hadden met onze parochies. We hebben veel vrijwilligers opgeleid, de kerk wordt door veel mensen gedragen. Zij vragen zich nu af of ze nog wel meetellen. Wordt er over ons beslist? We hebben in onze kerk onze eigen gewoonten, mogen we die nog wel houden? Daarbij roept het verplicht samengaan van parochies hevige emoties op”, zegt Bloem, „het is een hele omslag in het kerkelijk denken. Sommige parochies zijn boos over de fusie. ‘Asjeblieft, communiceer met ons’ is de wezenlijke vraag.”

Volgens Bloem heeft Eijk zich geconcentreerd op zijn staf en zijn problematiek. „Als hij meer mensen deelgenoot had gemaakt, dan had hij meer draagvlak gecreëerd.”

Ook het rooms-katholieke Tweede Kamerlid Jos Hessels (CDA) heeft behoefte aan frequenter overleg tussen partij en bisschop, „maar ik heb niet het idee dat dat bij de bisschop bovenaan het lijstje van prioriteiten staat. Je moet bij de Rooms-Katholieke Kerk vaak bedelen om een standpunt. Ik zou dat als rooms-katholieke volksvertegenwoordiger fijn vinden, het uitwisselen van ideeën. Over embryoselectie, maar ook op andere gebieden.”

Na afloop van de dienst in Groenlo kleedt Eijk zich snel om. De mijter gaat af, het pallium, de bisschopsband die hij op 26 juni door paus Benedictus kreeg omgehangen in de St. Pieter in Rome, wordt weer opgeborgen. Even later keert hij in eenvoudige pij en met zijn paarse kalotje op terug in de kerk om enkele zieken, die er met een rolstoel naartoe zijn gebracht, te groeten. Als hij vervolgens naar buiten komt, zet de rooms-katholieke Leo-harmonie uit Groenlo, die voor de kerk staat opgesteld, het stuk Graf Waldersee van Louis Oertel in. Met gevouwen handen en verstilde blik luistert de aartsbisschop naar een jubelend A Toi la gloire.