Automatische prijscompensatie keert echt niet terug

Dit jaar profiteerden bonden nog van de goede economie en sloten ze flinke cao’s af. Nu is de inflatie terug en ligt het gevaar van de loon-prijsspiraal op de loer.

De Nederlandse procesingenieur merkt in zijn portemonnee het minst van de toenemende inflatie. Hij kreeg vorig jaar 7,3 procent salarisverhoging, de hoogste stijging van alle beroepen. De gemiddelde baliemedewerker in Nederland piept wel anders: die kreeg er slechts 1,6 procent salaris bij in 2007. Dat berekenden adviesbureau Mercer en ADP, het bedrijf dat de salarisstrookjes voor ruim een miljoen Nederlanders regelt, in hun jaarlijkse beloningsindex.

Waar de ingenieur meer dan voldoende loonsverhoging kreeg om de huidige stijgende inflatie van 2,1 procent te compenseren, is dat voor de baliemedewerker niet het geval. Laat staan als de inflatie verder oploopt, naar 2,75 procent, zoals het Centraal Planbureau verwacht. De reële loonstijging pakt voor de meeste werknemers gemiddeld licht uit en wordt voor veel gezinnen zelfs tenietgedaan doordat de lasten ook stijgen, aldus het CPB.

In Nederland valt de inflatie nog mee in vergelijking met de rest van Europa: 2,1 procent, terwijl het gemiddelde in de eurozone op 4,0 procent ligt. Toch barst de discussie al los tussen werkgevers en werknemers, omdat de verwachtingen ook voor de Nederlandse inflatie naar boven zijn bijgesteld. Voor dit jaar komt die naar verwachting uit op 2,75 procent, in 2009 verwacht het CPB een verdere stijging tot 3,5 procent.

Werk aan de winkel voor de sociale partners dus. Inflatie speelt traditioneel een belangrijke rol in de looneisen die vakbonden stellen – zij willen hoe dan ook koopkrachtverbetering voor werknemers binnenslepen. Tegelijk willen werkgevers vrijwel standaard een matiging van de loonstijgingen, helemaal nu de groei van arbeidsproductiviteit sinds 2005 aan het afnemen is. Arbeidsproductiviteit en inflatie zijn de belangrijkste factoren in de onderhandelingen, naast de stand van de economie en de krapte op de arbeidsmarkt.

In het huidige cao-seizoen was het woord inflatie nog ver te zoeken bij de cao-onderhandelingen. Aan de basis van de looneis lag zoals altijd de inflatievoorspelling, maar die was aanvankelijk laag; alleen vakbond De Unie maakte half maart bekend een hogere looneis te stellen door de aangepaste inflatieverwachtingen. Belangrijker was het economische klimaat. Dankzij het goede economische tij bedongen de bonden een gemiddelde loonstijging van 3,3 procent in het eerste half jaar van 2008.

Het niveau van de loonstijgingen is nu, na een dieptepunt in 2005, weer op hetzelfde niveau als in het begin van 2003. „Hèhè, mogen wij ook eens”, verwoordt cao-coördinator Wilna Wind van de FNV-vakcentrale de gedachte van werknemers. Het werd tijd dat ook zij van de economische groei mee profiteerden, zegt Wind.

Daarnaast was en is de arbeidsmarkt krap, het gebrek aan personeel wakkert de loonstijgingen aan. Vooral de tekorten aan technici en vaklui zijn groot, waardoor bijvoorbeeld in de metaalsector en de bouw flinke loonsverhogingen werden afgesproken om de bedrijfstak aantrekkelijker te maken. Werkgevers moesten wel over de brug komen.

De krapte had ook een groot effect op individuele contracten, zegt Rienk van Splunder van de christelijke vakcentrale CNV. Als een werknemer naar een andere baan uitkijkt, biedt de huidige werkgever net iets meer om hem te laten blijven. Die individuele afspraken zijn niet terug te zien in de collectieve loonstijgingen.

Maar nu is de inflatie terug, ook in Nederland. De bonden zetten in op hun vuistregel: de gemiddelde Nederlander mag niet in koopkracht achteruitgaan. De inzet van onderhandelingen voor cao’s die volgend seizoen aflopen, ligt sowieso op en mogelijk boven het verwachte inflatieniveau. Ook als dat het komende jaar oploopt naar 4, 5 of 6 procent. Behoud van koopkracht „is het minste dat de achterban van ons mag verwachten”, zegt Wind. Van Splunder van CNV gaat verder dan dat: „Het zou kunnen dat we bij langlopende cao’s proberen nog iets extra’s los te krijgen. Al gebruik ik het woord openbreken niet.”

Als de inflatie zo fors toeneemt en bonden gaan compensatie eisen, ligt de loon-prijsspiraal op de loer. Lonen en prijzen hollen achter elkaar aan, wat de inflatie aanwakkert en slecht is voor de economie. De laatste keer dat in Nederland de loon-prijsspiraal niet te stoppen viel, was in de jaren zeventig, nadat midden jaren zestig de ‘automatische prijscompensatie’ zijn intrede had gedaan in het jargon van de cao-onderhandelingen.

Het waren jaren waarin de vakbonden forse loonstijgingen wisten te bedingen. Een van de verworvenheden van de vakbeweging was dat de loonstijgingen direct gekoppeld werden aan het inflatiepercentage. Na verloop van tijd was de prijscompensatie een vast onderdeel van de loononderhandelingen in vrijwel alle bedrijfstakken geworden. Het leidde tot loongolven, zoals in de jaren zeventig toen de olieprijzen hard stegen en de cao-lonen automatisch mee omhooggingen. De spiraal was niet te stoppen, de inflatie liep toen op tot 10 procent.

Pas begin jaren tachtig vond een omslag plaats. De forse loonstijgingen leidden tot uitholling van de concurrentiepositie en de werkloosheid nam dramatisch toe. In het roemruchte Akkoord van Wassenaar (1981) kwamen toenmalig FNV-leider Wim Kok en VNO-voorzitter Chris van Veen overeen om met loonmatiging en korter werken de werkloosheid te bestrijden.

Toen werd ook de automatische prijscompensatie losgelaten. Maar het duurde nog een aantal jaren voordat de regeling uit de meeste cao’s was verdwenen. In 1984 bevatte eenderde van de cao’s clausules voor prijscompensatie, in 1989 steeg dat zelfs weer naar 40 procent. In 1987 was geen sprake van prijscompensatie omdat de inflatie dat jaar negatief was. Na 1995 daalde de automatische prijscompensatie onder een kwart van de afgesloten cao’s en de eerste jaren van deze eeuw tot 10 procent van de cao’s.

Het uitblijven van een automatische prijscompensatie maakt de kans op een loon-prijsspiraal anno 2008 veel kleiner. Een inflatiestijging zoals Nederland die in de jaren zeventig meemaakte, gaat sowieso niet snel gebeuren, denkt Jules Theeuwes van SEO, een Amsterdams economisch onderzoeksbureau. „Het Nederland van toen was een kartelparadijs. Nu heeft iedere werkgever met concurrentie te maken, zowel nationaal als internationaal.” Bedrijven kunnen hogere loonkosten niet meer standaard doorberekenen aan consumenten, zoals toen gebeurde. Ook al stijgen de prijzen, dat zal niet zo snel gaan als in de jaren zeventig – de spiraal wordt minder hard gevoed.

Bovendien schat Theeuwes dat de bonden nog wel omhoog kunnen gaan in hun eisen, voordat de zogeheten ‘loonruimte’ is opgebruikt: „Als de bonden rond de 4 procent eisen, zitten we nog in veilig gebied.” Met zo’n eis stijgen de kosten per product voor werkgevers weinig, verwacht hij. Als die kosten amper toenemen, hoeven bedrijven niets door te berekenen aan klanten en blijft de spiraal uit.

Werkgevers zien dat anders. Laurens Harteveld van werkgeversorganisatie AWVN maakt zich zorgen over de looneisen. Tegenover een loonstijging moet een forse verhoging van de arbeidsproductiviteit staan. Langer doorwerken, ouderendagen afschaffen; het wordt bittere noodzaak om iedereen zo productief mogelijk te houden om die gevreesde loon-prijsspiraal te voorkomen, zegt hij.

Volgens werkgevers én werknemers kan het kabinet maar één ding doen, of liever laten, om het inflatiemonster in Nederland enigszins te beteugelen. Uitstel van de btw-verhoging van 19 naar 20 procent zou volgens alle partijen zeker 0,5 procent inflatie schelen in 2009.

Dit is het laatste deel in de serie over inflatie. Lees deel 1 en 2 op nrc.nl/economie