Vreemd kleinkind

Voor ouders die een kind willen adopteren uit het buitenland is er van alles geregeld. Verplichte voorlichtingscursussen, een uitgebreid gezinsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, boeken, websites. Als het kind er eenmaal is – soms na jaren wachten – kunnen de ouders die moeite hebben met de opvoeding of de hechting nog een beroep doen op video-interactiebegeleiding. Maar voor de (aanstaande) grootouders is er niets.

Toen Machteld de Jongh (43), moeder van Sanne (9) en Suze (5), besloot een meisje uit China te adopteren, merkte ze hoe moeilijk haar ouders dat vonden en hoeveel vragen ze hadden. „Ze hadden een constante informatieachterstand. In België pakken ze het beter aan, daar zijn vormingsbijeenkomsten voor grootouders van adoptiekinderen.” Eind vorig jaar organiseerde De Jongh, samen met andere adoptieouders, een dag voor grootouders. Er kwamen driehonderd mensen op af.

De mogelijkheid om kinderen uit het buitenland te adopteren, bestaat in Nederland pas 35 jaar. De generatie grootouders van nu heeft er vaak een ongunstige associatie bij: die van de eerste weeskinderen uit Korea, die in de jaren zeventig bij tientallen op Schiphol aankwamen. Getraumatiseerde kinderen uit een oorlogsgebied. Wie wilde, kon binnen zes weken een kindje in huis hebben. Zonder voorbereiding of begeleiding. Maar zo is het niet meer. Tegenwoordig is alles erop gericht de hechting van het kind aan de ouders, en andersom, zo goed mogelijk te laten verlopen. De eerste maanden na aankomst is rust geboden om het kind de tijd te geven te wennen aan zijn nieuwe ouders. De grootouders wordt aangeraden in die periode afstand te bewaren. En dat is voor de grootouders, die „niet zwanger, maar wel in verwachting waren”, moeilijk te begrijpen en vol te houden.

In het boek ‘Mijn kleinkind uit een ver land’, spreken grootouders zich uit. Over het verdriet om de kinderloosheid van hun eigen kinderen. Over de angst om minder van het adoptiekleinkind te houden dan van de andere kleinkinderen. Zorgen over hoe het nou straks moet met de erfenis. De opluchting van een grootvader over de beslissing van zijn dochter om een kind uit China te adopteren. „Ik heb liever een Chineesje in de familie dan een kindje uit een ander land.” Chinezen, zegt hij, mogen geen twee kinderen krijgen. Is de eerste een meisje, dan wordt het afgestaan, maar het was vast een ‘liefdesbaby’. Chinezen, denkt hij, worden minder gediscrimineerd in Nederland en „ze werken hard voor hun geld”.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de ouders van de adoptievader de komst van een adoptiekleinkind vaak moeilijker vinden dan de ouders van de adoptiemoeder. Femmie Juffer, hoogleraar Studie van Adoptie, denkt dat voor die grootouders meespeelt dat het kind hun familienaam zal dragen en stamhouder zal zijn. Voor hen is het niet voortzetten van de genetische familielijn misschien erger. En ouders leven eerder mee met de onvervulde kinderwens van hun dochter dan met die van hun zoon.

Adoptieouders bieden het kind een gezin, zegt Machteld de Jongh. De grootouders kunnen het een familie geven. De vier Indiase meisjes die Annemarie en Gerben Prins in het kindertehuis ophaalden, vroegen het meteen: „Krijgen we nu ook een echte opa en oma?”

Foto’s Annemarie Ruys

Tekst Rinskje Koelewijn

Machteld de Jongh e.a. ‘Mijn kleinkind uit een ver land’. Uitgeverij Sirene

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Adoptiekinderen

In het artikel Vreemd kleinkind (12 juli, Zaterdag &cetera) staat dat de mogelijkheid kinderen uit het buitenland te adopteren in Nederland sinds 35 jaar bestaat. Die mogelijkheid bestaat echter sinds 1956, toen de Adoptiewet werd ingevoerd. Bij de Koreaanse adoptiekinderen in de jaren zeventig ging het niet om getraumatiseerde kinderen uit een oorlogsgebied: de Koreaanse oorlog eindigde in 1953.