Overtuigde rechters 2

Hoogleraar strafrecht Tineke Cleiren geeft toe dat rechters soms bewijs hanteren dat er niet erg sterk uitziet (`Overtuigde rechters`, W&O 29 juni). Neem bijvoorbeeld de bejaardenverzorgster Ina Post die veroordeeld werd voor het wurgen van een bejaarde vrouw. Een van de drie bewijsmiddelen in die zaak was, zo zegt Cleiren, dat Ina Post op de dag van de moord bij het slachtoffer had gewerkt. Dat bewijst natuurlijk weinig, daar heeft Cleiren gelijk in. Maar de werkelijkheid is nog erger. Het derde bewijsmiddel was niet dat Ina Post die dag bij het slachtoffer gewerkt had; het was het geboortebewijs van het slachtoffer. Dat is een nog vreemder bewijsmiddel; het bewijst hooguit dat het slachtoffer echt bestaan heeft. De Hoge Raad staat dit soort vreemde bewijsmiddelen toe en professor Cleiren dekt dit soort misstanden toe door de situatie iets fraaier voor te stellen dan zij is. Tevens lijkt professor Cleiren te denken dat de bewijsmiddelen er niet zoveel toe doen, het gaat om de rechterlijke overtuiging. Dat die overtuiging op wettige bewijsmiddelen moet zijn gebaseerd en op niets anders, laat zij onvermeld. Zo wordt die overtuiging een zelfstandig bewijsmiddel, dat aan geen restrictie gebonden is en waar ook niets tegen in te brengen is.