‘Nee’ tegen deze EU getuigt van zelfrespect

Vertrouwen in de rechtsorde is een deel van onze identiteit, meent Larry Siedentop. Het probleem van de EU is dat zo’n gevoel op Europees niveau ontbreekt.

Het referendum is een instrument dat de aanhangers van het parlementaire stelsel met wantrouwen bezien. Maar de Fransen, vervolgens de Nederlanders en nu de Ieren hebben het referendum gebruikt om het parlementaire stelsel te verdedigen.

Het is hét middel geworden om te protesteren tegen de parlementaire gebreken van de Europese Unie. Het ‘nee’ in de drie referenda betekenen een vernietigend oordeel over de voornaamste instellingen van de EU, een oordeel met name over de onbeduidendheid van het Europese parlement. Het probleem is niet dat het parlement machteloos is, het probleem is dat het geen gezag heeft. Het parlement heeft geen vat op de Europese opinie, en mist het vermogen om in heel de Unie eensgezindheid op te wekken of daaraan gestalte te geven.

De kiezers voelen aan wat noch de Europese Commissie noch de nationale uitvoerende machten lijken te kunnen begrijpen, namelijk dat door de overdracht van aanzienlijke bevoegdheden van de lidstaten aan Brussel in de afgelopen twintig jaar het gevaar is ontstaan dat men wederzijds elkaars reputatie aantast. De nationale parlementen hebben aan legitimiteit ingeboet zonder dat het Europese parlement legitimiteit verworven heeft. Alom steekt cynisme over de regeringen de kop op.

Het kan zijn dat die verzwakking van de democratische cultuur in de lidstaten een onbedoeld gevolg is van de Europese integratie. Maar dat maakt haar nog niet minder ernstig.

Op enkele uitzonderingen na heeft het Europese ‘establishment’ op het Ierse ‘nee’ gereageerd op een manier die juist de oorzaak is van het probleem. De toon was paternalistisch. De Ieren werden berispt om hun ondankbaarheid – zij hadden toch zo veel materieel voordeel gehad van alle hulp en van de integratie in een grotere markt?

Maar uit die reacties blijkt dat men niet begrepen heeft dat markten geen dankbaarheid voortbrengen, terwijl politieke stelsels dat – in het gunstigste geval – wél kunnen doen. De reden is duidelijk. Democratische rechtsstaten zijn gestoeld op het beginsel van gelijke grondrechten, gelijke vrijheden. Het zelfrespect dat uit dat beginsel voortvloeit biedt de burgers een moreel houvast, in de vorm van zelfbestuur dat een tegenwicht biedt aan de door de vrije krachten van de markt en het maatschappelijk middenveld gecreëerde vormen van ongelijkheid.

Ongelijkheid in status, rijkdom of macht wordt bovendien gecompenseerd door een uitvloeisel van de democratische rechtsorde: de kans op sociale mobiliteit. Zodoende bestaat er – zowel rechtens als feitelijk – een band tussen de democratische rechtsorde en de emancipatie van het individu.

Maar het is wel een broze band. De cultuur van zelfbestuur die thans een hoofdbestanddeel vormt van de nationale identiteiten van de landen van Europa, is door hen maar moeizaam tot stand gebracht. De democratische rechtsorde is een bestanddeel van die identiteiten – iets wat voorkomt dat ze wegzinken in een pure stamcultuur.

(Het duidelijkste voorbeeld van het verband tussen nationale identiteit en zelfbestuur biedt het Verenigd Koninkrijk, waar bij afwezigheid van een geschreven grondwet de nationale identiteit nauw verbonden is met de soevereiniteit van het parlement. Dat verklaart waarschijnlijk waarom van alle landen van Europa het Verenigd Koninkrijk het meest moeite heeft gehad zich te schikken in de integratie, in het verlies of het ‘delen’ van zijn soevereiniteit.)

Mensen die de uitkomsten van de referenda als onbelangrijk afdoen – als een afspiegeling van irrelevante binnenlandse prioriteiten of obscurantisme – hebben geen oog voor het diepste motief dat de kiezers van een land beweegt. Dat is de vrees dat hun identiteit als burgers wordt aangetast, en daarmee ook hun zelfrespect. Wij mogen over zo’n reactie niet onze schouders ophalen, want ze komt op voor de nobelste verworvenheid van de westerse samenlevingen.

Wat heeft de EU te bieden in de plaats van de democratische rechtsorde van een onafhankelijk land? In brede kring in Europa – vooral onder de jongeren – heerst thans de indruk dat het een pseudodemocratie dreigt te bieden, een ververwijderde, bureaucratische regering onder de schamele dekmantel van een Europees parlement. Daarom is het verdwijnen van het idealisme thans het opvallendste morele feit over Europa. De Europese Unie is er niet in geslaagd de teloorgang van het idealisme van haar grondleggers – de afschaffing van oorlog in Europa dankzij de Frans-Duitse verzoening – goed te maken, bijvoorbeeld door het idealisme dat kan voortkomen uit zelfbestuur ervoor in de plaats te stellen. Haar bijdragen aan de totstandkoming van een vreedzaam, welvarend werelddeel worden als vanzelfsprekend beschouwd.

De EU is er – in tegenstelling tot de VS – niet in geslaagd het idealistische potentieel van de democratische rechtsorde voor zich te mobiliseren.

Het valt weliswaar nauwelijks te loochenen dat de regering-Bush ernstige schade heeft toegebracht aan het Amerikaanse idealisme, aan het beeld dat de Amerikanen hebben van zichzelf en van hun rol in de wereld. Niet minder treffend is evenwel de mate waarin de felle krachtmeting tussen Barack Obama en Hillary Clinton het Amerikaanse idealisme nieuw leven heeft ingeblazen. De voorverkiezingen hebben het vertrouwen hersteld in het politieke bestel, in zijn vermogen om een samenleving die het spoor bijster was, nieuwe krachten te schenken.

De voorverkiezingen onderrichten de Amerikanen bovendien over de aard van hun complexe politieke bestel. Is het overdreven om te stellen dat als gevolg van die voorverkiezingen vele Europeanen het Amerikaanse federalisme beter begrijpen dan de relatie tussen de instellingen van de EU en hun eigen landen? Mij dunkt van niet.

Larry Siedentop (1936) doceerde politieke filosofie in Oxford en schreef ondermeer Democracy in Europe (2000).