Mensenrechten staan niet op eerste plaats

In Rwanda, in 1994 nog het toneel van genocide, gaat het wonderbaarlijk goed, betoogt Stephen Kinzer. Veiligheid, banen en eten krijgen voorrang. Is de westerse nadruk op mensenrechten een vorm van neokolonialisme?

In de tientallen arme landen waarover ik als correspondent heb bericht, werkten ontwikkelingsspecialisten – mensen die met projecten landen uit de armoede proberen te bevrijden – doorgaans nauw samen met mensenrechtenactivisten. Dat is logisch, want die groepen zijn van nature bondgenoten. Beide kiezen instinctmatig partij voor regeringen die vrijheid en welvaart bevorderen en keren zich tegen corrupte, repressieve regimes.

Maar onlangs was ik enige tijd in een land waar deze groepen tegenover elkaar staan: Rwanda.

Er is geen tweede regime te vinden dat zo geprezen wordt door ontwikkelingswerkers en dat tegelijkertijd door mensenrechtenactivisten zo volkomen wordt verguisd. In feite heeft de spectaculaire wedergeboorte van Rwanda na de verschrikkelijke genocide van 1994 een oud debat over het wezen van de mensenrechten nieuw leven ingeblazen – een debat ook over de vraag of de wijze waarop het Westen zich aan dat concept vastklampt een gevaar kan vormen voor innovatieve oplossingen voor problemen die hele volkeren in de greep van de ellende houden.

De afgelopen jaren heeft Rwanda zich ontpopt als de spannendste plaats op aarde voor mensen die dromen van een einde aan de wereldwijde armoede. Ontwikkelingsspecialisten stromen toe, gelokt door het verbluffend originele, op het ondernemerschap gebouwde programma dat president Paul Kagame uitdraagt.

Een ontwikkelingshulpmanager zei me dat Rwanda „het enige land op deze planeet [is] dat kans maakt om in één generatie van volslagen armoede op te klimmen naar een doorsnee inkomen’’. Een rapport van de Harvard Business School constateerde in 2007 dat de economische omstandigheden gestaag vooruitgaan en dat het land „vrij is van corruptie”, „stabiele sociale vooruitgang vertoont” en wellicht op weg is het „Zwitserland van Afrika” te worden.

Aartsbisschop Desmond Tutu van Zuid-Afrika noemt Rwanda „een wonder dat zich voor onze ogen voltrekt”.

In heel Afrika en daarbuiten hopen experts dat dit land, na de vreselijke genocide van veertien jaar geleden, toen in honderd dagen meer dan achthonderdduizend mensen werden gedood, de wereld een nieuw model voor de strijd tegen de armoede zal schenken.

In een van mijn gesprekken met Kagame vroeg ik hem waarom, ondanks tientallen jaren onderzoek en honderden miljarden dollars aan hulp, nog niemand een formule heeft gevonden om een einde te maken aan de armoede in Afrika. Hij verwierp de vooronderstelling achter mijn vraag. „Iedereen weet hoe je Afrika moet ontwikkelen”, zei hij. „Het probleem is dat niemand het doet.”

Kagame’s formule, die is afgekeken van de Oost-Aziatische landen die zo’n snelle ontwikkeling hebben doorgemaakt, is simpel en rechtlijnig. Veiligheid staat voor hem voorop; onder zijn bewind is Rwanda het veiligste land van Afrika geworden, waar je zelfs in de hoofdstad ’s avonds laat in je eentje kunt rondlopen met contant geld, een mobiele telefoon en andere waardevolle spullen op zak.

Ten tweede: eerlijk bestuur. Geen Afrikaanse regering is ooit zo ten strijde getrokken tegen omkoping en vriendjespolitiek als Kagame doet in Rwanda.

Voeg daarbij onderwijs, geboortebeperking, een voortreffelijke infrastructuur, gelijkheid tussen de seksen, goede gezondheidszorg en veel ruimte voor particulier initiatief, zo meent Kagame, en je krijgt welvaart.

Maar terwijl diplomaten, economen en ontwikkelingsdeskundigen vol lof zijn over Kagame en zijn regering – en hun enthousiasme wordt door veel Rwandezen gedeeld –, zijn Amerikaanse en Europese mensenrechtenactivisten minder onder de indruk. Zij wijzen erop dat Kagame bij de jongste verkiezingen 95 procent van de stemmen kreeg en dat het er niet naar uitziet dat iemand hem zal verslaan in 2010, wanneer hij naar verwachting zal worden herkozen voor een tweede – en volgens de wet laatste – ambtstermijn van zeven jaar. Volgens de Europese Unie waren de jongste verkiezingen „niet helemaal correct” en volgens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken vertoonden ze „grote gebreken”.

Mensenrechtenactivisten zijn het ook oneens met Kagames opvatting dat de Rwandezen zich alleen nog moeten beschouwen als Rwandezen, en de woorden ‘Hutu’ en ‘Tutsi’ niet meer moeten gebruiken. Hij staat bijvoorbeeld wel toe dat men zich erover beklaagt dat het land door een kleine kliek wordt geregeerd, maar níet dat men zegt dat het wordt geregeerd door een kleine kliek van Tutsi’s. Een journalist mag schrijven dat de Rwandezen ongelukkig zijn, maar níet dat de Hutu’s ongelukkig zijn. Vorig jaar is een journalist veroordeeld tot een jaar hechtenis, omdat hij had geschreven dat „de mensen die de Hutu’s hebben gedood vrij rondlopen” omdat de nationale leiders „vinden dat de Hutu’s die ten onder zijn gegaan geen mensen zijn”.

Wat vindt Kagame van zo’n proces, dat strijdig lijkt met de westerse opvattingen over vrijheid van meningsuiting en een pers zonder muilkorf? Hij zegt dat zulke processen noodzakelijk zijn, omdat Rwanda voor nóg een opgave staat, op het geestelijke, het spirituele vlak, die misschien nog zwaarder is dan van een arm land een rijk land te maken. Factoren die in 1994 tot de genocide hebben geleid, houden de bevolking nog altijd diep verdeeld. Volgens Kagame is de inperking van de vrijheid van meningsuiting essentieel om een nieuwe massamoord te voorkomen. Volgens zijn critici gaat het om een onrechtvaardige, baatzuchtige en gevaarlijke inperking van de vrijheid van meningsuiting.

Nóg een hevig debat woedt tussen Kagame en zijn critici over de vraag wie voor de gruwelijke misdrijven uit de jaren negentig moeten worden bestraft. Iedereen is het erover eens dat de mensen die de genocide hebben gepleegd, daarvoor moeten boeten. Maar hoe zit het met de soldaten die onder bevel van Kagame hebben gevochten, eerst in het opstandige Rwandees Patriottisch Front en vervolgens, na de overwinning, in de nationale Rwandese strijdkrachten? Tijdens de strijd om de macht kan het Front heel goed oorlogsmisdaden hebben begaan. Later in de jaren negentig hebben Rwandese troepen een tegenopstand neergeslagen van strijders die het afgezette regime, dat de genocide op zijn geweten had, trouw waren gebleven. Daarbij zijn veel onschuldigen gedood.

De regering huldigt het standpunt dat deze misdrijven – de genocide en de wrede, later gevoerde oorlogen – volstrekt verschillend waren en verschillend dienen te worden behandeld. Dat verklaart waarom, terwijl de genocidaires worden berecht en bestraft, er geen parallelle reeks processen wordt gevoerd tegen de mensen die aan de zijde van Kagame streden. Hij doet de roep om zulke processen af als door politieke motieven ingegeven pogingen om zijn bevrijdingsleger moreel over één kam te scheren met de massamoordenaars, en zodoende het morele gezag van zijn regering aan te tasten.

Sommige mensenrechtenactivisten stellen echter dat, omdat de mensen die wegens genocide worden bestraft Hutu’s zijn, en Kagames legeraanvoerders merendeels Tutsi’s waren, een zo ongelijke behandeling wrok in de hand zou kunnen werken, en zelfs voedsel zou kunnen geven aan een toekomstig conflict.

Wat de mensenrechten betreft, is in Rwanda gegronde reden tot zorg. Zo was een uitvoerig rapport van een evaluatiegroep onder auspiciën van de Afrikaanse Unie lovend over het „spectaculaire herstel” van Rwanda, maar werd tevens geconstateerd dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht was „aangetast”, en werd aangedrongen op „openstelling van het politieke domein voor concurrerende denkbeelden en krachten”. Kagame deed dit rapport af als „simplistisch” en als gebaseerd op „algemene, overgesimplificeerde analyses”.

Toen Human Rights Watch een lijst opstelde van twintig Rwandezen die in politiecellen zouden zijn overleden, zei hij tegen journalisten dat wie zulke beschuldigingen uitte, „waarschijnlijk drugs had gebruikt”.

Deze laatdunkende reacties weerspiegelen onder meer de aanhoudende verachting van Kagame en zijn makkers voor de ‘internationale gemeenschap’. Door eigen ervaring – opgegroeid in ballingschap zonder dat iemand ook maar een vinger uitstak om hun terugkeer naar eigen land mogelijk te maken, zagen ze vervolgens hoe de wereld (en met name de Verenigde Naties) het vertikte om in te grijpen tijdens de genocide van 1994 – zijn zij gekomen tot een diepgeworteld geloof in autarkie en een mateloze verachting voor kritiek van buiten. Mensenrechtenactivisten, zeggen zij, hebben makkelijk praten, maar die activisten realiseren zich niet dat Rwanda nog altijd licht ontvlambaar is en dat één verkeerde stap er een tragedie van bijbelse proporties zou kunnen ontketenen.

„De toestand is hier niet normaal”, zei Kagame tegen mij. „Daardoor heb ik een zekere minachting ontwikkeld voor mensen die de situatie niet zien zoals die feitelijk is, die niet in volle omvang zien waar wij voor staan. [...] Voor mij gaan de mensenrechten over alles. Ook wegkwijnen in armoede als gevolg van kolonisatie en andere omstandigheden uit het verleden was een schending van de mensenrechten. Los dat op, en de mensenrechtenkwestie is opgelost.”

In de tijd vóór Kagame heeft Rwanda slechts éénmaal geëxperimenteerd met concurrentie in de politiek, in 1993-1994. Dat experiment is uitgelopen op genocide. Het is dan ook geen wonder dat de meeste Rwandezen thans de voorkeur geven aan veiligheid, voedsel, banen en medicijnen boven een politiek bestel dat onbelemmerde vrijheid en een echte verkiezingsstrijd zou garanderen. Maar dat is het enige type bestel dat voldoet aan het procrustesbed dat sommige mensenrechtenorganisaties als norm hanteren.

Bisschop John Rucyahana, de leidende geestelijke van Rwanda, klaagde tegen mij dat de westerse mensenrechtengroepen „gevangen zitten in de koloniale mentaliteit”. Als een regering een bevolking uit barre armoede opheft naar welvaart, vroeg hij, is dat dan soms niet de grootste dienst die zij de zaak van de mensenrechten kan bewijzen? Is dat niet belangrijker dan aan politici of journalisten de vrijheid te gunnen om tweedracht te zaaien tussen Hutu’s en Tutsi’s?

Niet per se, zeggen sommige buitenstaanders.

Nergens wordt op dit moment het debat over de juiste definitie van de mensenrechten – en over het recht van mensen overal ter wereld om die naar eigen inzicht te definiëren – feller gevoerd dan in Rwanda.

Stephen Kinzer is voormalig buitenlandcorrespondent van The New York Times en auteur van A thousand hills: Rwanda’s rebirth and the man who dreamed it. © LAT