‘Ik loop als een oorlogsheld’

Een zomerweek van schrijver Abdelkader Benali (1975). Van Stockholm reist hij via Schiebroek naar Damascus. Met een nieuwe koffer.

Donderdag 3 juli

Vandaag is mijn laatste dag in Stockholm waar ik op zondagochtend aankwam om deel te nemen aan het WALTIC – een internationaal festival waarin schrijvers, literatuur- en cultuurwetenschappers met elkaar in debat gaan. De kracht van verhalen vertellen en ongeletterdheid zijn dit jaar de thema’s. Zo’n duizend sprekers hebben zich verzameld, keurig netjes met het kaartje waarop naam en land staat rond de hals. De afgevaardigde van de schrijversbond uit Groenland spreekt me aan op mijn lezing over de tekst en het lichaam. Ik geef haar mijn e-mail. Misschien dat er een reisje naar de hoofdstad Nuuk inzit.

Als ik afscheid heb genomen van mijn persoonlijke assistente Helena, loop ik de stad in. Ik bezoek het Nobelprijs museum dat klein van opzet is en meer een uitstalling van krantenknipsels dan een museum. Omdat ik op nieuwe schoenen loop heb ik na een paar uur spierpijn in de benen gekregen. Met een snel bezoek aan het museum voor Moderne Kunst sluit ik mijn reis aan Zweden af.

Vrijdag

Vandaag naar Rotterdam met het doel mijn administratie af te geven bij de fiscalist en een foto te laten maken voor de krant. Onderweg naar de fotograaf koop ik een koffer voor mijn reis naar Damascus want mijn vorige is versleten. Ik heb een fixatie met koffers. Er moet er een zijn waarmee je de reis van je leven kan maken. Een koffer waar je alles in kan stoppen dat je nodig hebt en die toch nog ruimte laat om een schat of ontdekking in mee te nemen bij terugkomst. Het moet een koffer zijn waarmee je je zowel in een chic hotel in Stockholm als in een aftandse herberg in Errachidia, Marokko, kan vertonen. Ik denk dat ik hem gevonden heb, de zwarte trolley, maar zijn kracht moet zich nog bewijzen. Met de fiscalist, Jos Mensen, praat ik over belastingdruk en over een speciale aftrekpost voor zelfstandigen (Wouter bedankt!). Wanneer hij door mijn inkomsten bladert, zucht hij dat de romantische tijden van de schrijver die op zijn zolderkamer droog brood eet definitief voorbij zijn. Onderweg naar buiten complimenteert hij me met de koffer.

Op weg naar Amsterdam moet ik overstappen in Leiden. Mijn gedachten zijn ergens anders want ik vergeet mijn koffer in de trein waarna ik naar de coupé ren waar de conducteur binnen staat, klaar om weg te rijden. Ik sla als een gek op de deur (hysterie veinzen helpt in Nederland) en schreeuw dat mijn koffer nog binnen is. Hij besluit de trein te stoppen en ik ren naar binnen om de koffer op te pakken.

In Amsterdam aangekomen verwissel ik snel mijn bezwete kleding voor hardloopkleding en snel richting de Amstel. Zo loop ik alle stress, reisplannen, vertragingen en de vermoeidheid van het bestaan er in een duurloop van een uur uit.

Zaterdag

Ik lees de krant online. Een man rukt in Berlijn het hoofd van Hitler af. Zestig jaar te laat. Vriendin Winnie komt op bezoek met een tas vol etenswaar. Ze belde me op om buiten de deur te gaan lunchen maar daar heb ik vandaag geen tijd voor. Morgen vertrek ik naar Beiroet en vandaag moet ik binnenshuis zoveel mogelijk werk verzetten. Stofzuigen. Oud papier wegbrengen. Op weg naar de glasbak vraagt een nieuwe buurvrouw of zij met haar lege wijnflessen op de goede weg is. Ze vraagt zich af waarom er meer krantenbakken dan glascontainers zijn. „Oud papier maakt minder herrie.”

Winnie vraagt zich af waarom ik nooit de ramen opengooi. Uit verveling begint ze mijn poëzie te lezen. Ze moet hard lachen maar vindt me cynisch. „Ja”, zeg ik, „daar moet maar eens een einde aan komen, dat cynisme. Er zijn betere manieren van leven mogelijk.” Ik maak bonen met gerookte makreel klaar. Mijn koken is nooit cynisch. En zijn cynici die van lekker eten houden eigenlijk wel echte cynici? Het begint voor het eerst in weken weer te regenen.

Het klapstuk van de avond is met mijn goede vriend Chaib. We houden ervan om samen te eten en te drinken onderwijl de avond wegkletsend in een mengelmoes van Nederlands en Berbers. Hij heeft een deel van zijn leven in Marokko gewoond. Alles aan hem is Riffijnse levenslust. Omdat hij zijn eigen en mijn cultuur zo goed kent, fungeert hij als een klankbord. Op al mijn ingewikkelde vragen over familie, tradities en lokale gebruiken uit de landstreek heeft hij een adequaat antwoord. Hij draagt het leven achter zich aan als een vuile staart waar hij toch vrolijk mee kwispelt, zo vaak als hij kan. We nemen afscheid van elkaar. Ik ga naar Damascus. Hij naar Cordoba. De twee uitersten zo’n beetje van wat ooit het Arabische rijk was.

Zondag

De ochtend begint met een bliksembezoek aan Rotterdam. Ik ga naar mijn zus die op de kop af een week getrouwd is. Ze is met Jamal, haar echtgenoot, gaan wonen bij de Beukelsdijk. Ik bezichtig het nieuwe huis en heb een verlaat ontbijt met ze. Mijn zus, Rachida, maakt een ontspannen indruk alsof ze hier al vijf jaar woont. Een opvallende eigenschap van de Benali’s is om overal en altijd makkelijk wortel te schieten juist omdat ze zo trouw aan zichzelf blijven. We praten na over de bruiloft waar ik door een nalatigheid van mijn kant twee uur afwezig ben geweest. Die twee uur afwezigheid hebben bij mijn moeder tot zoveel verdriet geleid dat ze er, zoals ze zelf zegt, de hele maandag stuk van was. Nu ga ik naar Schiebroek om iets van spijt te betuigen. Mijn moeder is blij als ze de bloemen ziet die ik heb meegebracht. Daarna begint ze weer over het Voorval. Drie kwartier en een bordje sperziebonen (het symbolische eten van de familie) later zit ik in de trein naar Schiphol. Via Istanbul vlieg ik naar Beiroet. Mijn persoonlijke assistente Najla, groen strak shirt en zwarte hoge hakken, haalt me op en brengt me naar het hotel op wandelafstand van de Corniche.

Maandag

Libanon verwart zichzelf meesterlijk. Er zijn elke dag gevechten tussen de sekten. De president kan nog altijd geen president zijn. De regering wil maar niet regeren. Ik blader door de kranten. Deze week zullen Israël en Hezbollah al dan niet levende krijgsgevangen uitwisselen. Zo komt er een formeel einde aan de Juli-oorlog van 2006 die ik heb meegemaakt als niet-vluchtende resident in Beiroet.

Met Najla ga ik op pad door de stad. We ontbijten in een Franse broodbakkerij. Met haar praten is altijd weer een genoegen. Ze reageert op geen enkele vraag direct. Formuleert bedachtzaam en komt dan weer met een plotselinge kwinkslag. De brunch kan me niet lang genoeg duren.

’s Middags werk ik op een terrasje aan een stoffig verkeersplein aan een verhaal. Omdat deze stad zoveel impulsen geeft, is het raadzaam om je af en toe te verschuilen in je kunst. Schrijven wordt dan een aanlegplaats, een oase, een manier om doofheid te fingeren; te doen alsof de gekmakende mêlee van toeterende auto’s, opgemaakte ladies en knetterende motoren met daarop hun gespierde berijders niet bestaan. Aan het einde van de avond gaan we aan de Corniche zitten om wat van de koelte te genieten. Ik merk op dat al die sjiitische families die er normaliter zitten, deze keer afwezig zijn. „Ze zijn hun jongens aan het trainen voor de volgende oorlog”, zegt Najla.

Dinsdag

Peter, een vriend in Beiroet, vraagt of ik mee ga naar Patty Smith die optreedt in Byblos. Ik sms gekscherend terug dat ik al een keer met haar gedineerd heb bij een gelegenheid voor Salman Rushdie. Toen roddelden we over wie de dame links van de Indiase schrijver was. Een zingende artiest is natuurlijk oneindig veel beter dan een roddelende, maar voor dinsdagavond heb ik al andere plannen. Gisteravond heb ik een stuk gerend langs de Amerikaanse universiteit en de Corniche en daar heb ik vandaag last van in mijn rechterbeen. Ik loop als een oorlogsheld naast Najla. Sommige voorbijgangers salueren. Het voelt alsof ik in die paar kilometers alles heb geforceerd wat er maar te forceren viel. Najla maakt er een opmerking over. Ze vindt hardlopen een gevaarlijke onderneming; gevaarlijker dan politieke agitatie. „Voordat je het weet ben je zo mager als een worm.” Er is een uitdrukking in het Libanees „Een man zonder buik is niets waard.” Het is opvallend hoeveel mannen hier inderdaad een gespierde kaaklijn combineren met een weldadige pens. Als er straks gevochten gaat worden, zullen ze geen partij zijn voor de Hezbollah.

Ik sluit mijn tweedaagse bezoek af aan Beiroet met een bezoek aan de film Sex in the City. Een glittershow van twee en een half uur volgepropt met handtassen, hoge hakken en andere vrouwenzaken. Op weg naar huis worden we ingehaald door twee Ferrari’s en een Porsche. Wij halen gelukkig wel een Volkswagen Kever in.

Woensdag 9 juli

De president Suleiman was bij het concert van Patty Smith. Hij staat met zijn eega in de krant. Met de taxi ga ik naar het Nederlands Instituut voor Academische Studies in Damascus waar morgen mijn privélessen Arabisch beginnen. In de wagen vraagt de chauffeur wat ik doe. „Schrijver”, zeg ik. Er volgt een lange stilte. Ik wilde de conversatie niet om zeep helpen. Later vraagt hij me of ik getrouwd ben. „Nee.”

„Mijn nicht wil trouwen. Ben je geïnteresseerd?”

Hij zegt dat Marokkaanse vrouwen het best zijn in de liefde. Hij heeft de hele Arabische regio uitgeprobeerd maar die van daar zijn toch het sensueelst. De dikke douanebeambte, type opera buffo, vraagt of ik een schrijver of journalist ben.

„Schrijver.”

„Wat voor een schrijver?”

„Verhalen.” Dan pas zet hij het stempel in mijn paspoort en overhandigt het me met een glimlach.

In het instituut word ik ontvangen door Astrid van Rijbroek. Ze had me twee dagen terug al verwacht.

„Beiroet liet me niet gaan”, zeg ik. ’s Avonds loop ik met een medewerker van het instituut en een andere cursiste Arabisch afkomstig van Buitenlandse Zaken de oude stad in. De medewerker, Taco, toert ons ook door het gedeelte waar de inwoners zelf hun avond doorbrengen. Bij het dineren praten we over de beste manier waarop Nederland de rest van de wereld de morele les kan lezen.