‘Ik doodde één man om er 100.000 te redden’

Op 13 juli 1793, zondag precies 215 jaar geleden, vermoordde Charlotte Corday de Franse revolutionair Jean-Paul Marat. In Normandië is een wandelroute naar het geboortehuis van ‘de Jeanne d’Arc van de Revolutie’.

De weg langs ons vakantieverblijf is onderdeel van de wandelroute naar het geboortehuis van Charlotte Corday, dat nu in gebruik is als vakantiehuis. Achter het gesloten hek zien we een eenvoudig boerderijtje van Normandisch vakwerkbouw, waarvan er duizenden in de heuvels van het departement Orne staan.

Toch was Charlotte Corday geen boerenmeisje als de analfabete Jeanne d’Arc, die haar goddelijke ingevingen tijdens het hoeden van de schapen kreeg.

De familie Corday d’Armont was van verarmde adel, een geslacht van landeigenaren, geleerden en bestuurders. Van moederskant behoorde de dichter en toneelschrijver Pierre Corneille (1606-1684) tot de voorzaten.

Na de dood van haar moeder werd Charlotte in de Abbaye-aux-Dames in Caen ondergebracht, waar zij haar opleiding kreeg en in de bibliotheek kennismaakte met het werk van o.a. Plutarchus, Rousseau en Voltaire. Nadat de abdij in 1791 werd gesloten, vond zij onderdak bij een oudere nicht, Madame Le Coustellier de Bretteville-Gouville, met wie zij een innige band had. Charlotte zou de enige erfgenaam van haar fortuin worden.

Charlotte Corday was republikein en koos voor de partij van de Girondijnen, de liberale partij die vasthield aan de grondwet van 1791 en onder meer het hoofd van Lodewijk XVI wilde sparen. Zij verloren echter de strijd om de macht aan de Jacobijnen, waarna tweeëntwintig vooraanstaande Girondijnen in één nacht onder de guillotine werden onthoofd.

In Caen vernam Charlotte de berichten over het bloedbad in Parijs. Een van de leiders van de Jacobijnen was Jean-Paul Marat, een in 1743 in Zwitserland geboren, arts en geleerde zonder het begeerde aanzien, zoals het lidmaatschap van de Académie Française. Frustratie en verbittering brachten hem aan de top van het revolutionaire bewind. In zijn krant L’Ami du Peuple hitste hij het volk – en wie daar gevoelig voor was of belang bij had – op tot absolute wraak op de vijanden van de Revolutie. Voor de door hem ingestelde ‘Raad van toezicht’ stelde hij persoonlijk de dodenlijsten op van degenen die op zijn best met een schijnproces naar het schavot werden gestuurd.

In Caen had zich een beweging van gevluchte Girondijnen gevormd, die het plan opvatte met een leger van vrijwilligers naar Parijs op te trekken. Charlotte Corday bezocht hun vergaderingen, maar zij had weinig vertrouwen in hun ideeën. In haar eentje broedde ze op het plan om het vaderland van het revolutionaire monster Marat te bevrijden. Ze koesterde het naïeve idee dat het bloedvergieten daarna zou stoppen. Op een dag in juli 1793 nam zij de diligence van Caen naar Parijs. In het paspoort dat haar toegang tot de stad moest verschaffen stond dat zij 24 jaar was, kastanjekleurig haar had, grijze ogen, een forse neus, een normale mond, een ronde kin met een kuiltje en een ovaal gezicht.

Zij nam haar intrek in een hotel en schreef haar ‘Rede aan de Fransen, liefhebbers van de wet en de vrede’. Aan Marat schreef zij: „Citizen, Ik ben zojuist uit Caen aangekomen. Ik wil u graag vertellen over de gebeurtenissen aldaar. Over een uur zal ik me bij u melden; wees zo vriendelijk mij te ontvangen voor een kort onderhoud. Ik wil u in de gelegenheid stellen Frankrijk een grote dienst te bewijzen.”

Aanvankelijk werd haar de deur gewezen, maar toen zij zich enkele uren later weer aandiende, werd zij bij Marat toegelaten. Die zat in bad voor de dagelijkse behandeling van zijn huidziekte. Het gesprek was nauwelijks op gang gekomen toen Charlotte Corday het keukenmes tevoorschijn haalde dat zij voor twee francs in een winkel in Port Royal had gekocht. Ze stak de weerloze Marat in de borst, hij stierf enkele minuten later. Charlotte Corday werd gevangen genomen en voor het Revolutionaire Tribunaal gebracht. Op de vraag van de president of zij iets tot haar verdediging had aan te voeren, antwoordde Corday: „Niets, behalve dat ik ben geslaagd. Ik doodde één man om er 100.000 te redden.”

Vier dagen later, op 17 juli 1793, werd Charlotte Corday naar de guillotine gebracht. De moord op Jean-Paul Marat werd nog in hetzelfde jaar door de propagandist van de Revolutie, Jacques-Louis David, in een dramatische enscenering vereeuwigd. Charlotte Corday moest nog ruim een halve eeuw wachten voor zij de heldenrol kreeg toebedeeld waarvan zij ongetwijfeld in haar jonge leven had gedroomd. In 1860, tijdens het Tweede Keizerrijk, werd zij door Paul-Jacques-Aimé Baudry geschilderd als de heldin die Frankrijk van het revolutionaire monster had bevrijd.

Voor de wandelroute bestaat weinig belangstelling. Tijdens ons verblijf zagen we tenminste nooit iemand die op weg leek te zijn naar het geboortehuis van ‘de Jeanne d’Arc van de Revolutie’.