‘Het kabinet mag best eens naar zijn navel kijken’

De VVD’er Pieter Winsemius is de bedenker van de veertig ‘Vogelaarwijken’. Hij noemde ze brandhaarden en afvalputjes. Balkenende-IV lost het probleem vooralsnog niet op. „Als corporaties de afspraken niet nakomen, moet je zeggen: Weg! Ik vervang jou.”

In het noordwesten van Friesland ligt een klein dorp, Hitzum. Op een dag kreeg de voorzitter van de kaatsvereniging een telefoontje uit het westen. Het was Pieter Winsemius, de oud-minister en prominente VVD’er. Hij kende Hitzum van een familiereünie anderhalf jaar eerder. Hij herinnerde zich dat het dorp behoefte had aan een jaarlijkse kaatswedstrijd voor meisjes, zoals die al bestond voor jongens in een naburig dorp. Leefde die wens nog steeds? Dan wist hij wel een paar sponsors.

„Zo is het balletje gaan rollen”, zegt voorzitter Betty Blanksma van kaatsvereniging De Eendracht. Deze zomer (2 augustus) houdt Hitzum de negende kaatswedstrijd voor meisjes van 14 tot 16 jaar. Winsemius komt sinds 2000 elk jaar een paar keer naar het dorp om mee te vergaderen over de organisatie. Op de dag van de wedstrijd zijn negentig van de 240 inwoners van Hitzum als vrijwilliger in touw. En bijna alle bewoners hangen op verzoek van de kaatsvereniging de vlag uit.

Pieter Winsemius was tweemaal minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). De eerste keer, in de jaren tachtig, diende hij de volle vier jaar. De tweede keer verving hij zijn partijgenoot Sybilla Dekker, die was opgestapt wegens de Schipholbrand. Hij bleef vijf maanden, tot het huidige kabinet aantrad. Toen keerde hij terug naar de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

In zijn korte tweede ambtstermijn gaf Winsemius het grotestedenbeleid nieuwe urgentie. Het was een jaar na de rellen in de Franse voorsteden. Winsemius sloeg alarm over de „toenemende tweedeling” in 140 Nederlandse wijken, over de groeiende „kloof tussen aantrekkelijke en achtergebleven gebieden”. Hij deed dat in een brief aan de Tweede Kamer en een interview in de Volkskrant, overigens zonder de wijken bij de naam te noemen. In veertig wijken, stelde hij, kon ieder moment de vlam in de pan slaan.

In de kabinetsformatie besloot Balkenende IV tot een noodplan voor veertig wijken en stelde er minister Vogelaar (PvdA) voor aan. „Het kabinet heeft het hoog in het vaandel geschreven”, zegt Winsemius tevreden. „De woningcorporaties zeiden: ‘wij zien dat ook, daar moeten we iets aan doen’. Dat was goed. Tóen zijn er een paar dingen misgegaan.”

Daar komen we later op terug. Eerst over Winsemius en zijn buurten.

Zelf woont hij in het Gooi. Maar hij praat over buurten in het hele land alsof hij dáár vandaan komt. ‘Bij mij in Schiemond’, zegt hij bijvoorbeeld een paar keer. Schiemond is een Rotterdams wijkje in de deelgemeente Delfshaven, 2.200 inwoners, zo’n 80 nationaliteiten. De kind-onvriendelijkste wijk van Nederland, concludeerde het Verwey-Jonkerinstituut in maart – tot woede van veel bewoners.

Winsemius heeft een zwak voor Schiemond, zegt hij. Een paar jaar terug stond het wijkje derde van onder in de veiligheidsindex van alle 62 Rotterdamse wijken. Nu staat het in de middenmoot. „Fantastisch. Die buurt is mijn ijkpunt. Als iets in Schiemond lukt, lukt het ergens anders misschien ook.”

Hij investeerde een deel van de opbrengst van zijn boek over Johan Cruijff en leiderschap (Je gaat het pas zien, als je het door hebt, 2004) in een Cruyff Court (trapveldje) voor Schiemond. Hij prijst de basisschool, die lokalen en een gymzaal bijbouwde, en de buurtwacht. „Die gaat drie avonden per week de straat op, de vrouwen van 8 tot 12 uur en de mannen van 8 tot 2. Al jaren. Je zíet het beter gaan. Je zíet dat het kan.”

Niet alleen met Schiemond heeft hij een band. Voor de WRR bezocht hij tientallen „achter-, midden- en voorstandsbuurten” in het hele land. Hij is voorzitter van het Sociaal Platform Rotterdam, een door B&W opgericht, onafhankelijk adviesorgaan voor wijkverbetering. En hij was lid van een adoptieteam voor Utrecht Overvecht, dat onderzocht welke maatregelen echt verschil zouden kunnen maken. Met een klas uit Overvecht-Noord ging hij mee op schoolreis naar Parijs. „45 leerlingen, van wie 44 zwart.”

Daarnaast houdt hij dus van dorpen als Hitzum. Door alle aandacht voor de stadswijken dreigen die een beetje te worden vergeten, vindt hij. Ten onrechte, want ook daar zijn problemen. „In heel kleine dorpen kun je geen school, winkel of dorpshuis meer overeind houden. Dan moet je iets doen om te voorkomen dat ze uitgehold worden. Je moet ze levend houden.” In Weidum, onder Leeuwarden, hebben ze dat goed gedaan, zegt hij. „Het dorpshuis vervult daar allerlei functies. Er staan vier biljarttafels en er is een gymzaal met een verschuifbaar dak. Als het plafond zakt, is het een feestzaal. En het consultatiebureau zit er ook. Op de bar, hahaha.”

Wat is er misgegaan met de wijkenaanpak van dit kabinet?

„Toen ik er zat, was er een rollende kar. De wooncorporaties gaven in grote meerderheid aan veel geld over te hebben voor het vervullen van een maatschappelijke rol. Dat was verrassend, en heel belangrijk, omdat na de brutering [verzelfstandiging van de corporaties, red.] toch wel vaag geworden was wat hun maatschappelijke taak was. Bijna geen enkele corporatie had dat helemaal laten vallen, maar er waren grote verschillen.

„Het kabinet negeerde dat aanbod en legde de corporaties vennootschapsbelasting op, zoals aan normale ondernemingen. Dan wordt het best lastig om ook maatschappelijke investeringen te eisen. Ella Vogelaar werd namens het kabinet uit onderhandelen gestuurd zonder geld. Pas in april heeft Wouter Bos (Financiën, PvdA) 300 miljoen euro vrijgemaakt voor de veertig wijken. Dan heb je de vaart er aardig uitgehaald. Het kabinet mag wat dat betreft best eens naar zijn navel kijken.”

Hij wil niet zeggen dat het hem ergert, want de ergernis van meneer Winsemius lijkt hem onbelangrijk. Hij zegt ook niet dat hij teleurgesteld is. Hij zegt dingen als „dat is wel verdrietig” en „dat vind ik heel erg jammer” als het over bepaalde wijken gaat. En: „Het is niet dat je supergedeprimeerd moet raken, maar …”

U noemde de wijken met de grootste problemen brandhaarden en afvalputjes. Hoe erg is het uitstel?

„Dat moet u niet aan mij vragen. Dat moet u aan het kabinet vragen. Ik vind elke dag uitstel een verloren dag.”

Er zijn tot nu toe geen grote rellen uitgebroken.

„Kijk, er gebeurde al veel en natuurlijk is het een en ander doorgelopen. Aan de frontlijn proberen mensen van goede wil elkaar te vinden. In Schiemond heeft corporatie Woonbron zes buurtconciërges de buurt ingestuurd om hem weer schoon en heel te maken. Zes op 2.200 inwoners. Dat vind je nergens. In Amsterdam ben ik een corporatie tegengekomen die er 1 had op 5.000 inwoners.

„In de Schilderswijk in Den Haag is het begin fout gedaan. Daar hebben de wooncorporaties vooral stenen gestapeld, zonder de sociale kant erbij te betrekken. In Transvaal, de wijk ernaast, pakken ze dat nu tegelijk aan. Dat is mooi om te zien.”

Versnelt het kabinet de goede ontwikkelingen?

„Ja en nee. In Rotterdam was de versnelling dat er ‘wijkactieplannen’ moesten komen [een eis van Vogelaar voor alle veertig wijken, red.]. Maar dat moest in no time gebeuren. Dat betekent per definitie dat het niet de goede plannen zijn. Het zijn te vaak bestaande plannen met een lint erom.”

Hoe ziet een goed plan eruit?

„Sociale plannen die de wijk in de benen krijgen, dat lukt je niet in vier jaar met een heleboel projectjes. Je moet tien, vijftien jaar vooruit durven kijken. Je moet kijken waar de speelruimte van een buurt zit. Wat het stempel van een buurt is. Hoe wil die zijn? Hoe kunnen we hier een buurt van maken waar mensen graag naartoe komen. Hoe maken we dat de middenstand zich kan ontplooien. Hoe krijgen we voor elkaar dat er winkelstraten zijn, recreatiestraten die echt levendig zijn. Dat bedrijven ernaartoe willen. Dat voetbalverenigingen er willen blijven, in plaats van dat ze voor een extra veld en een mooie kantine de stad uitgaan.

„Neem de Afrikaanderwijk, een beroemde Vogelaarwijk in Rotterdam. Daar liep al Eat en Meet [om van een deel van de wijk een uitgaansgebied te maken, red.]. Hoe zorgen we ervoor dat dat niet twee restaurantjes zijn maar dat het écht wat wordt. Hoe passen we daar de wijkmarkt in, die twee dagen per week de grootste en drukste van Nederland is en vijf dagen per week een kale vlakte. Hoe krijgen we die vier dagen in de week vol.

„Voor dat soort plannen moet je winkelverenigingen, werkgevers, buurtverenigingen, scholen, welzijnswerk erbij halen. Daar hebben de steden geen tijd voor gehad. Dan heb je een kans gemist. Dan krijg je toch weer de projectencarrousel. Van jongens, laten we in ieder geval ons aandeel binnenhalen. Dat is hier en daar wel gebeurd. Daar word je niet blij van.”

Wat vindt u van de concentratie op veertig wijken?

„Die heb ik zelf voorgesteld. Eerst zou ik ook de lijst maken. Later heb ik gezegd: dat moet mijn opvolger doen. Die moet ermee aan de slag.”

Zou u dezelfde veertig wijken hebben gekozen als Vogelaar?

„Mijn lijst zou niet veel afgeweken zijn.”

Er zijn toch veel meer probleemwijken? Sommige steden waren boos dat ze buiten de boot vielen.

„Jammer voor ze. Je moet keuzes maken.”

Is het gevaar niet dat die andere wijken hollend achteruit gaan?

„Natuurlijk is dat een gevaar. Maar als mijn huis in de fik staat begin ik toch ook niet met blussen in de belendende percelen. Ella Vogelaar moet die andere wijken wel in de gaten houden. Net als de dorpen. Daar moet ze een soort stil beleid voor voeren, dat politiek minder scoort.”

Is Vogelaar wel de juiste vrouw op de juiste post?

„Dat weet ik niet, ik heb haar niet bestudeerd. Ze doet vast niet alles goed, maar de afgelopen tijd was ze wel erg de kop van Jut.”

Hoe vindt u het als VVD’er dat het electoraat in de veertig wijken naar Verdonk en Wilders neigt, de twee oud-VVD’ers op rechts?

„Is dat zo? Ik denk het niet. In Rotterdam scoort de PvdA veel stemmen bij allochtonen in de oude wijken. En dan zit er nog een groep die Leefbaar of SP stemt.

„Het grootste deel van de Vogelaarwijken zijn zwarte buurten. Met spanningen omdat vooral de oorspronkelijke bewoners – zeg maar de witte senioren – zich geminacht, gepiepeld voelen. Zij vormen de harde witte kern van zo’n wijk. Met drie generaties overerfde armoede. De mannen met bierbuiken die op straat zitten van: vroeger was het hier gezellig en toen kwamen de zwarten.

„Mensen als Jan Marijnissen (oud-leider Socialistische Partij, red.) of Marco Pastors (oud-wethouder voor Leefbaar Rotterdam, red.) hebben die groep goed op het netvlies. Ik ben letterlijk met Pastors door de Afrikaanderwijk gelopen. Ik heb hem gevraagd: wil je nog één keer vertellen wat jij ziet dat wij misschien niet zien. Pastors woont daar. Hij is er op zijn gemak, mensen schieten hem aan. Hij herkent dingen.

„De moeilijkste buurten zijn bijna altijd een gevolg van te snelle verzwarting. Niet de allochtonen zijn het probleem, maar de snelheid van de verandering. Die witte senioren wonen daar al heel lang en zagen hun wereld verloren gaan. Die zijn verbitterd, wantrouwig. Die zijn ‘tegen’. Die moeten we wel aan boord houden. We kunnen niet hebben dat die groep groter groeit, de groep die niet betrokken wil zijn. Die mensen moeten weer voelen dat ze erbij horen in dit land.”

Heeft de VVD daar genoeg oog voor?

„Nee, maar de meeste andere partijen ook niet. Ik kwam als minister een keer in de Tweede Kamer en de SP-woordvoerder blééf maar zeuren over volkstuintjes. Wat zit ze nou over die volkstuintjes, dacht ik. Maar later dacht ik: misschien ziet ze iets wat wij niet zien. Nou, ze had gelijk. Volkstuinen waren paradijzen voor mensen met kleine huizen. En die raakten ze kwijt. Of ze lagen steeds verder weg. En daar hadden we geen alternatief voor bedacht. Dat staat symbool voor het niet zien van deze groepen.

„De SP had dat alleen krachtiger naar voren moeten brengen, zodat ik gedwongen was het ook te zien.”

Ziet Verdonk het beter?

„Ik weet niet of Rita Verdonk dat ziet. Ik kon goed met haar opschieten, maar ze heeft een faliekant fout inburgeringsbeleid gevoerd. Ze heeft ingezet op integratie, niet op inburgering. Totáál geflopt beleid. Ik heb het zelden zo geflopt gezien.

„Een allochtone vrouw moet een cursus Nederlands volgen, die zelf betalen, en dan leren of je iets met een d of een t schrijft. Is dat beleid? Kom op.

„Er zijn mondige allochtone vrouwen, maar je hebt ook van die heel onopvallende. Die zich vermommen in het behang. Die schuifelende vrouwen uit Berberstan of Anatolië, 26 jaar, op hun twintigste geïmporteerd. Die durven niets. Totaal onzeker. Spreken de taal niet, hebben drie kinderen, een man die ertegen is dat ze Nederlands leren. Die vrouw heeft te maken met werkloosheid, armoede. En dan zeggen wij: gij zult leren en gij zult er geld voor betalen. Dat is geen beleid.”

Misschien is dat beleid bedoeld voor de witte groep die een harde aanpak eist?

„Het is geen harde aanpak. Je weet na vijf minuten dat dit niet de oplossing is. Een analfabete vrouw van 50 moet geen d’s en t’s leren. Die moet tegen de dokter kunnen zeggen dat ze pijn in haar voet heeft. Die wil Nederlands kunnen praten met haar kleinkinderen. Een buskaartje durven kopen. Dat moet je zien, als overheid. Het willen en het kunnen van mensen. Als ze niet willen, dan kun je ze een handje helpen.”

Hoe?

„Daar ligt een taak voor het welzijnswerk. Alleen is dat de laatste twintig jaar afgebroken. Welzijnswerkers zijn als een soort jojo heen en weer geslingerd waarbij je een ding zeker wist: het touwtje werd elke keer korter. De overheid heeft dat beroerd gedaan.

„Dan zeg ik: overheid, je kan dit kennelijk niet, breng het welzijnswerk onder de hoede van de wooncorporaties. Die zijn veel stabieler. Daar moet je niet zenuwachtig van worden. Kennelijk zit het daar beter.”

Bedoelt u dat corporaties welzijnswerk moeten inkopen en distribueren, zoals bijvoorbeeld gebeurt in de Rivierenwijk in Deventer?

„Nee, de corporatie kan een soort moederkloek zijn. Zoals scholen dat ook zouden kunnen zijn, voor jeugdzorg bijvoorbeeld. Politici komen en gaan. De ROC’s en de corporaties zijn er altijd. Zij zijn de grote ankers van een wijk. Volgend jaar ook nog en over vijf jaar nog. Tussen de meeste corporaties en hun gemeenten is de band vrij sterk. Tussen scholen en gemeenten ook. Maak daar gebruik van.

U heeft wel erg veel vertrouwen in het verantwoordelijkheidsbesef van corporaties.

„Nee! Het is keihard! Het is niet vrijheid blijheid. Je sluit convenanten, je laat ze tekenen. Iedereen denkt dat een convenant iets zachts is. Zoals we ze uitvoeren zijn ze vaak ook zacht, maar ze horen keihard te zijn. Als wooncorporaties of scholen de afspraken niet nakomen dan moet de politiek zeggen: Weg. Ik vervang jou. Ik doe nooit meer zaken met jou. Dat is de rol van de politiek.

„Kijk naar het milieubeleid. We hebben convenanten gesloten met de chemie [om bijvoorbeeld de uitstoot van afvalstoffen terug te dringen, red.]. Dat zijn goede convenanten. Chemieconcerns houden zich eraan. Voor hen is dat ook belangrijk, daar winnen ze ontzettend veel vrijheid mee. De overheid denkt: het is goed zaken doen met die gasten, die zijn betrouwbaar. Vertrouwen voedt zichzelf.”

Rechtvaardigt het verleden niet enig wantrouwen tegen de corporaties? Ze hebben de oude wijken lang laten verloederen.

„Maar ze hebben hun maatschappelijke taak weer opgepakt. Er zit veel kennis bij de corporaties. Ik zie ze soms overheden waarschuwen: kijk uit, nog vijf jaar en het gaat mis in die buurt, we hebben dat eerder gezien, zo en zo zal het gaan. En dan zeggen die bestuurders: ‘welnee, er is geen probleem’. Die schatten zien dat niet. Die hebben dat nog nooit meegemaakt.

„In Rotterdam bijvoorbeeld, heeft de onderkant van de Antilliaanse maatschappij zich geleidelijk verplaatst van Hoogvliet naar andere wijken. De Antilliaanse onderkant is keihard en heeft als bijzonderheid dat er geen contact is met de middengroepen. Bij de Marokkanen, Turken, Surinamers is die verbinding er wel.

„Dan gaan bestuurders in die wijken een schattig beleid voorstellen om met die Antilliaanse onderkant om te gaan. Met begrip en dit en dat. Terwijl we inmiddels weten dat je nergens komt met begrip. Niet bij die groep. Tegen die groep zeg je: wacht even. We hebben hier regels en regels zijn regels. Die gaan we handhaven.

„Bij mij in Schiemond heeft de wooncorporatie het als een glorie gezien, en terecht, dat ze een Turks aso-gezin uit huis gezet hebben. Toen dat gebeurde stonden de andere bewoners van die flat, inclusief de Turkse, te klappen omdat het gelukt was. Dán heb je integratie. Dan mag je rustig je Turkse feesten vieren en met Turkse vlaggen zwaaien. Maar iets anders is belangrijker geworden. De buurt.”