Vijf glazen voor een vermoorde patriot

De separatistische Georgische regio Abchazië is het middelpunt van oplopende geopolitieke spanningen. De Abchaziërs zelf ondergaan de ontwikkelingen gelaten.

Naast de open doodskist staan een blikje Fanta en een fles champagne. Het zijn cadeaus voor Moeratija Dzjanzoeg, de 37-jarige majoor van de Abchazische veiligheidsdienst die afgelopen zondag omkwam bij een bomaanslag in het stadje Gali, aan de grens met Georgië.

„Vijf jaar geleden kreeg hij bij een aanslag al een kogel in zijn hoofd”, zegt zijn tante. „We hebben hem nog zo vaak gezegd dat hij ander werk moest gaan zoeken. Maar hij was nu eenmaal een patriot. En ik ben er zeker van dat de Georgiërs het hebben gedaan.”

Ze voegt zich weer bij de honderd rouwende, zwartgerokte vrouwen, die in de tuin van Moeratija’s ouders onder een afdak bij de kist zitten. Schuin tegenover hen schuilen onder een tentzeil zo’n vijftig mannen voor de zon: de vader, broers, ooms, oudooms, neven en achterneven van de overledene. Het hele dorp Tamysj is uitgelopen voor het laatste eerbetoon aan zijn dappere zoon.

In 1992-1993 vocht Abchazië, nu een de facto autonome provincie binnen Georgië, een bloedige onafhankelijkheidsoorlog uit met Georgië. Een jaar later werd een vredesakkoord gesloten, waarbij het tot de huidige status quo kwam. De provinciale hoofdstad Soechoemi verweesde in die oorlog totaal. Tienduizenden inwoners, voornamelijk Georgiërs, sloegen op de vlucht. Maar voor de overgeblevenen is het onafhankelijkheidsstreven nog altijd een ideaal, waar ze veel voor over hebben.

Recentelijk namen de spanningen tussen Georgië en Abchazië weer toe. Dat mondde uit in het jongste geweld waarbij Moeratija omkwam.

Een nicht van Moeratija staat achter de doodskist, die wordt geflankeerd door een erewacht van twee gewapende soldaten. Ze werpt haar handen omhoog en haalt ze vervolgens over haar gezicht. Er volgt een ritueel van klaagzangen en bezweringen. Van tijd tot tijd veegt ze met haar zakdoek haar tranen van de glasplaat die het lijk afdekt. Ze troost de moeder van de overledene, die hoofdschuddend en kreten slakend aan het hoofdeinde van de kist troont.

Vrienden en bekenden van de overledene treden in rotten van vier naar voren en nemen afscheid van Moeratija. Daarna paraderen ze langs de mannen, om hun condoleances over te brengen. Er wordt gebogen en bedankt. Daarna gaan de rouwklagers naar de eettent om op de dode te drinken. „Vijf glazen is het minste voor een dode”, zegt de 60-jarige elektricien Sergej gebiedend.

Na vier uur gaat de glasplaat van de kist. De moeder streelt het gezicht van haar dode zoon. Er wordt nog harder gehuild.

[Vervolg ABCHAZIË: pagina 4]

ABCHAZIË

‘Een oorlog komt er heus niet’

[Vervolg van pagina 1] De nicht roept de hulp van God in. De vader en de oom houden een toespraak, gevolgd door een lokale geleerde die de Amerikanen vervloekt vanwege hun steun aan Georgië. „Niemand zal Abchazië zijn onafhankelijkheid afnemen”, roept hij in tranen, waarna hij nog enkele woorden tot de dode richt. Daarna verdwijnt Moeratija’s kist onder saluutschoten in een graf in een appelboomgaard. Een vuilniszak met de kleren die de majoor op zijn laatste levensdag droeg, vergezelt hem.

In de Abchazische hoofdstad Soechoemi, zo’n vijftig kilometer westwaarts, is de dood van Moeratija en de drie andere Abchaziërs die vorige week bij een bomaanslag omkwamen het gesprek van de dag. „Ik hoop dat het geen oorlog wordt”, zegt Nala, een 20-jarige vrouw die actrice hoopt te worden. „Vijftien jaar geleden hebben we dat al eens meegemaakt. Maar als het er toch van komt vechten we allemaal.”

Onder de roze bloemenpraal van de bomen op de boulevard aan de Zwarte Zee spelen oude mannen schaak en skat. Zij hebben geen enkele behoefte aan nieuw oorlogsgeweld. Niemand denkt dat Georgië hun land echt zal durven binnenvallen.

De 67-jarige Marlin Popava, een gepensioneerde arts en een Olympisch schutter op de Spelen van 1976 in Montreal, is er niet eens zeker van dat de Georgiërs achter de aanslagen zitten. „Ze zijn door de clans gepleegd”, zegt hij. „Dit is de Kaukasus, hier maken onderling strijdende clans de dienst uit. En oorlog komt er heus niet. Over twee à drie jaar is Abchazië’s onafhankelijkheid door de hele wereld erkend.”

Sinds de onafhankelijkheidsstrijd van begin jaren negentig voert het 230.000 inwoners tellende ministaatje nog altijd een schemeroorlog met Georgië, dat om lid van de NAVO te kunnen worden, zijn separatistische Abchazië en Zuid-Ossetië weer binnenboord moet zien te halen. Het heeft de onderlinge verbondenheid van de Abchazen alleen maar versterkt.

Dat familiegevoel is ook merkbaar in het op een schoolgebouw lijkende regeringscentrum, waar de meeste ministeries zijn ondergebracht. De lift werkt niet, de muren zijn aan het vervellen, aan de plafonds hangen kale peertjes. Een ambtenares slaapt met haar hoofd op haar bureau. Veel valt er niet te besturen in een geïsoleerd land waar amper werk is.

Op de derde verdieping zetelt het ministerie van Buitenlandse Zaken in een handvol vertrekken. Onderminister Sergej Sjamba, een voormalig hoogleraar geschiedenis, ontvangt in zijn werkkamer. „De aanslagen van vorige week zijn Georgische provocaties”, zegt hij. „Sinds de internationale gemeenschap Kosovo heeft erkend en Rusland heeft gezegd dat die erkenning precedent zal hebben, voert Georgië de druk op ons op.”

Hij benadrukt de historische feiten waaruit blijkt dat Abchazië tussen de twaalfde en negentiende eeuw een onafhankelijke staat was en ook onder het Sovjetregime enkele jaren een grote mate van autonomie had, totdat het in 1931 onder Georgische heerschappij werd geplaatst. „En nu zijn we de speelbal van de geopolitieke belangen van Amerika en Rusland”, vervolgt hij. „We zijn ons er dan ook van bewust dat Rusland ons alleen maar steunt uit eigenbelang.”

Hij wijst vervolgens op een uitgelekt plan van de Russen en Georgiërs om Abchazië in tweeën te delen, waarbij Georgië zijn gezag over de grensprovincies Gali en Otsjamtsjira zou mogen herstellen in ruil voor de erkenning van een de facto soevereiniteit van de rest van het land. De Russen zouden daarbij garanties krijgen voor hun zakelijke belangen in het Westen van Abchazië. „Wij zijn alleen bereid om met Georgië over veiligheidsvraagstukken en de terugkeer van Georgische vluchtelingen naar huizen in ons land te onderhandelen”, zegt hij resoluut.

Wel is Sjamba Rusland dankbaar voor zijn hulp. „Toen Rusland onlangs extra vredestroepen naar Abchazië stuurde en die door de straten van Soechoemi liet rijden, was dat een doeltreffend afschrikmiddel tegen Saakasjvili’s agressie.” Ondanks die agressie gelooft ook hij niet dat er een oorlog met Georgië komt. „Al was het maar omdat dan de hele Kaukasus in de fik komt te staan. En dat is iets wat Rusland zich, met het oog op de Olympische Spelen in Sotsji, niet kan veroorloven. De Olympiade is dan ook de best denkbare buffer voor ons land.”

Van een vermeende annexatie van Abchazië door Rusland is volgens de minister evenmin sprake. Ook al hebben de Russen aan de Abchazen massaal Russische paspoorten uitgereikt. „Wij hebben die geaccepteerd omdat we al jaren in een economisch getto wonen. Met die Russische paspoorten is het gemakkelijk om naar het buitenland te gaan en werk te zoeken. Zo lang onze onafhankelijkheid niet erkend wordt is een Abchazisch paspoort in het buitenland nu eenmaal niets waard.”

Buiten, op de boulevard, klinkt het geklik van een skatspel. Zoals het al eeuwen klikt. Onafhankelijk van wat er in de rest van de wereld gebeurt.

Meer foto’s van Abchazië op nrc.nl/buitenland