Trots op Amerika = zelfrespect

De Amerikaanse socioloog Neil Gross probeert de ontwikkeling van zijn landgenoot Richard Rorty te verklaren vanuit maatschappelijke ontwikkelingen in de VS.

Neil Gross: Richard Rorty The making of an American philosopher University of Chicago Press. 367 blz., € 29,45

Richard Rorty: Philosophy as Cultural Politics. Cambridge University Press, 206 blz., € 20,–

Richard Rorty (1931-2007) was een van de invloedrijkste, en ook meest omstreden, filosofen van de late 20ste eeuw. Hij wordt vaak als ‘postmodernist’ aangemerkt, maar zelf noemde hij zich liever een pragmatist: hij geloofde dat filosofische noties en doctrines slechts legitiem zijn voor zover ze praktisch nut hebben, met name voor het vergroten van menselijk welzijn. Eén slachtoffer van dit pragmatisme is het waarheidsbegrip: volgens Rorty bestaat er geen substantiële, filosofisch interessante notie van waarheid of correspondentie met de feiten. Die conclusie is echter geen gemakzuchtige relativistische slogan: ze is gebaseerd op Rorty’s lezing van rigoureuze analytische filosofen als Tarski, Quine en Davidson.

De combinatie van pragmatisme met analytisch-filosofische inzichten ligt niet zonder meer voor de hand en de Amerikaanse socioloog Neil Gross probeert haar in Richard Rorty: the making of an American philosopher te verklaren uit Rorty’s achtergrond. Daarbij baseert hij zich op Rorty’s correspondentie met vrienden en verwanten, artikelen en opstellen van zijn ouders, en allerlei andere ongepubliceerde documenten. Toch is zijn boek geen biografie in de gebruikelijke zin van het woord, maar een studie in de zogeheten ‘sociologie van ideeën’. Het boek is gelukkig grotendeels vrij van sociologenjargon en biedt een verhelderende kijk op het veranderende culturele en politieke klimaat waarin de Amerikaanse academische filosofie zich heeft ontwikkeld.

Rorty groeide op in een omgeving van atheïstische en linkse, maar patriottische en anticommunistische Amerikaanse intellectuelen. Vader Rorty had na een lange reis door de Verenigde Staten moeten concluderen dat de Amerikaanse arbeidersklasse geen revolutionair bewustzijn bezat; ook uitte hij bij tijd en wijle zijn zorg of zijn slimme en studieuze zoon wel rebels genoeg was. Zoals andere kinderen joods, protestants of katholiek worden grootgebracht, zo kreeg de jonge Richard een trotskistische opvoeding. Als intellectueel was hij dus geen selfmade man: veel van zijn latere politieke overtuigingen kreeg hij van huis uit mee. Zijn ouderlijk milieu stimuleerde volgens Gross ook Rorty’s taalvaardigheid, die al vroeg aan de dag trad: op zijn zesde schreef hij een toneelstuk over de Engelse kroonprins Edward; op zijn dertiende publiceerde hij een essay over voedselhulp als manier om fascisme te bestrijden.

In zijn studiejaren hield Rorty zich vooral bezig met metafysische en historische visies op het vak; maar toen hij begin jaren zestig een tijdelijke aanstelling in Princeton kreeg, begon hij zich veel sterker op de toen populaire analytische filosofie te richten. Volgens Gross was deze wending noodzakelijk voor Rorty’s carrière: wilde hij een vaste aanstelling op Princeton, dan moest hij een significante bijdrage aan de analytische filosofie leveren. Dat deed hij vooral met de publicatie van The Linguistic Turn, een bloemlezing van analytisch-filosofische artikelen waar hij een lange inleiding bij had geschreven. Die was minder een oefening in, dan een bespiegeling over, filosofie: Rorty benadrukte hierin de zogenaamde ‘talige wending’ van de 20ste-eeuwse wijsbegeerte: vragen over kennisaanspraken en hun rechtvaardiging werden erin vervangen door vragen naar talige uitspraken en hun betekenis.

In de jaren zeventig publiceerde hij diverse technisch-filosofische artikelen, maar geleidelijk aan kreeg hij een sterkere persoonlijke en professionele afkeer van zijn analytisch-filosofische collega’s, die volgens hem te weinig interesse toonden in wat er elders in filosofieland gebeurde. Dat werd er volgens Gross alleen nog maar erger op toen Rorty en zijn vrouw, de in analytische kringen gerespecteerde Amélie Oksenberg, gingen scheiden.

In 1979 publiceerde Rorty Philosophy and the Mirror of Nature, waarin hij afscheid nam van de analytische filosofie en het pragmatisme omarmde. Het boek maakte hem op slag beroemd; in 1982 – het jaar waarin deze biografie eindigt – kreeg hij een persoonlijk hoogleraarschap aan de Universiteit van Virginia. Voortaan hoefde hij zich geen zorgen meer te maken over de grenzen en conventies van bestaande vakgebieden. Gross beschrijft kort hoezeer het pragmatisme van Rorty’s meesterwerk schatplichtig is aan de wetenschapsfilosoof en -historicus Thomas Kuhn; andere filosofische inspiratiebronnen, met name Donald Davidson en Wilfrid Sellars, krijgen minder aandacht.

Gross streeft dan ook niet naar een filosofische analyse, maar naar een sociologische verklaring van Rorty’s filosofische keuzes: de metafysische onderwerpen van zijn scriptie en proefschrift, zijn wending van metafysica naar analytische filosofie in de jaren zestig en zijn anti-analytische keuze voor het pragmatisme in de jaren zeventig. Volgens Gross werden deze keuzes niet alleen ingegeven door strategische carrièreoverwegingen, maar ook door Rorty’s ‘intellectuele zelfbeeld’ als linkse Amerikaanse patriot.

Als verklaring is deze duiding wat mager: ze past beter op Rorty’s latere werk dan op zijn eerdere carrièrekeuzes en voegt ook weinig toe aan wat Rorty zelf over zijn politieke motivaties heeft geschreven. Overtuigender is Gross wanneer hij betoogt dat Rorty’s filosofische keuzes passen in een breder patroon van reacties tegen de snel toegenomen professionalisering van de Amerikaanse geesteswetenschappen. Geleidelijk aan wendde die zich af van de filosofie als specialistisch vakgebied, met eigen onderwerpen en jargon, en met zijn eigen specialistische debatten die slechts voor een klein publiek van naaste collega’s interessant of zelfs maar toegankelijk zijn. Steeds meer werd zijn eigen filosofische werk een vorm van cultuurkritiek voor een groter publiek van lezers. Zo schetst zijn latere Contingency, Irony and Solidarity (1989) wel brede historische en culturele perspectieven; maar het mist de combinatie van analytisch-filosofische argumentatie en brede historische visie die Philosophy and the mirror of nature tot zo’n uniek boek maken. Ook geeft Rorty steeds meer de indruk dat hij het allemaal wel weet en wel gelooft: hij lijkt niet meer op zoek naar nieuwe inzichten, verhalen of perspectieven.

Die indruk krijg je ook uit zijn laatste bundel filosofische artikelen, Philosophy as Cultural Politics. Weliswaar betoont Rorty zich hier meer dan voorheen gevoelig voor vragen rond de politieke rol van religie; maar verder herhaalt hij eerdere verhalen.

De latere Rorty maakte zich inderdaad drukker over politiek dan over filosofie. Terecht wijst Gross op de fundamentele rol die Rorty zag voor links nationalisme, of zoals hijzelf het noemde, ‘patriottisme’ als basis voor een werkzame vorm van progressieve politiek. Daarmee keerde Rorty zich vooral tegen het hypertheoretische multiculturele kosmopolitisme dat langzamerhand de overhand kreeg op de Amerikaanse universiteiten. Volgens Rorty is nationale trots voor een land wat zelfrespect voor het individu is: beide ziet hij als onontbeerlijk voor zelfverbetering. Wellicht verklaart dat patriottisme ook zijn voorliefde voor de typisch Amerikaanse filosofie die het pragmatisme is.

Rorty is op zijn patriottisme net zo fel aangevallen door multicultureel en kosmopolitisch links als hij op zijn vermeende relativisme is aangevallen door conservatief en religieus rechts. Problematisch is niet zozeer zijn morele stellingname, maar veeleer de vanzelfsprekendheid waarmee de Amerikaanse natiestaat zijn referentiepunt vormt. Nergens geeft Rorty een historische of filosofische analyse van het nationalisme, en met name de rol die taal heeft voor de vorming van nationale identiteit blijft bij hem buiten beeld. De wijdere wereld lijkt buiten zijn belangstelling te vallen: zelfs de aanslagen van 11 september 2001 brachten zijn vanzelfsprekende oriëntatie op Amerika niet aan het wankelen. Integendeel, in zijn schaarse uitlatingen over de aanslagen gaf hij zijn eerdere pragmatistische aanbeveling op om met mensen uit andere tradities en beschavingen in dialoog te treden: volgens hem moesten de Amerikanen slechts beter aan de rest van de wereld uitleggen dat hun cultuur toch echt superieur is.

Misschien zijn het wel deze blindheid voor nationalisme als historisch verschijnsel en deze doofheid voor niet-westerse stemmen die maken dat Rorty’s eigen werk, waarin hij zo nadrukkelijk oproept tot het afwerpen van verouderde filosofische tradities, inmiddels zelf nogal gedateerd aandoet.