Toch meer dan barbaren te paard

Nu er voor indianen allengs minder belangstelling is, wint de geschiedschrijving over hen aan kwaliteit. Een Finse historicus beschrijft de adembenemende geschiedenis van de Comanchen.

Pekka Hämäläinen: The Comanche Empire. Yale University Press, 500 blz. € 30,–

Over Noord-Amerikaanse indianen wordt steeds beter geschreven, naarmate minder mensen zich voor hen lijken te interesseren. In de hoogtijdagen van de frontier-mythologie in film en boek (Karl May!) was de indiaan de ultieme wilde, een nomadische duivel-met-een-goed-hart in de Tuin van Eden; in het sentimentele negatief daarvan was hij het ultieme slachtoffer, een natuurkind dat onder de voet was gelopen door op winst beluste blanken. Beide benaderingen hebben gemeen dat ze indianen tot passieve voetnoten maken bij een blanke geschiedenis, en hen niet erkennen als mensen die zelf ook een vormende en soms bepalende invloed hebben gehad op hun natuurlijke omgeving en hun geschiedenis.

Terwijl de populaire fascinatie voor Amerikaanse indianen vergeleken met die in eerdere tijden sterk is afgenomen (wie wil er nog indianen nu we Transformers en andere Action Heroes hebben?), slagen historici er steeds beter in om dat ingesleten dualisme van enerzijds barbarisme en anderzijds sentimentalisme te overwinnen. Op het terrein dat bekend staat als American indian history verschijnen studies die recht doen aan de dynamiek van indiaanse samenlevingen en aan hun complexe rol in de Amerikaanse geschiedenis, die veel actiever en subtieler was dan die van louter een lomp obstakel voor de oprukkende beschaving. De Finse historicus Pekka Hämäläinen, verbonden aan de universiteit van Californië in Santa Barbara, heeft nu zo’n boek geschreven over een van de beruchtste en machtigste indiaanse volken uit de geschiedenis van het Amerikaanse Westen, de Comanchen.

In The Comanche Empire beschrijft en analyseert Hämäläinen de geschiedenis van deze nomadische indianen, die van circa 1750 tot 1850 heer en meester waren over grote delen van Texas en noordelijk Mexico. De benaming ‘imperium’ in de titel is met opzet gekozen: daarmee wil Hämäläinen al aangeven dat de slagvaardigheid, organisatiegraad en prestaties van dit volk het western-cliché van een zooitje barbaren te paard verre te boven gaan. Dat cliché miskent volgens de auteur zowel het dynamische karakter van het indiaanse Westen in het algemeen, als de oorspronkelijke en zeer invloedrijke bijdrage die de Comanchen daar in het bijzonder aan leverden. Het Amerikaanse Westen kolkte vanaf de 16de eeuw van de bedrijvigheid, met massale indiaanse migraties naar nieuwe woongebieden, deels onder druk van blanke kolonisatie. Keiharde concurrentie om handelsroutes en toegang tot goederen was het gevolg, nog aanzienlijk verscherpt door de beschikbaarheid van (Spaanse) paarden en (Franse en Engelse) vuurwapens.

De Comanchen waren het product van zo’n migratie, die een pre-modern volk noopte zichzelf opnieuw uit te vinden. Indianen die afkomstig waren uit het woestijnachtige plateaugebied in het huidige Utah en Nevada splitsten zich eind 17de eeuw in Shoshones die naar het noorden trokken, en Comanchen die, langs de oostkant van de Rocky Mountains, afdaalden naar de bizonrijke grasvlaktes in het zuidoosten. Met een doeltreffende combinatie van grof geweld, handelsgeest en diplomatie vestigde de stam binnen een halve eeuw zijn suprematie op de zuidelijke Great Plains , tussen Mexico en de Frans-Engelse gebieden in het oosten. De Comanchen profiteerden daarbij ten volle van hun nieuwe, nomadische manier van leven en hun ook in de ogen van blanken verbluffende beheersing van de paardrijkunst. Beide gaven hen een strategisch voordeel boven andere, half-sedentaire indianengroepen in het gebied, die een beperktere actieradius hadden met hun bizonjacht te voet en kleinschalige akkerbouw.

Na de verovering volgde bijna een eeuw hegemonie, waarbij de Comanchen, op hun hoogtepunt zo’n 40.000 man sterk, van noordelijk Mexico feitelijk een wingewest maakten. Honderdduizenden paarden en koeien, en naar schatting duizenden mensen, werden op jaarlijkse strooptochten meegevoerd naar het noorden om als slaven voor de stam te werken (de snel toenemende jachtopbrengsten van de Comanchen vereisten meer arbeidskracht) of om doorverkocht te worden aan Mexicaanse en Amerikaanse handelaren, de notoire comancheros. De ravage die de Comanchen aanrichtten was zo groot, dat de nieuwe staat Mexico aan de noordgrens fataal verzwakt raakte en dus ook geen weerstand kon bieden aan de Amerikaanse expansie.

De daaropvolgende Amerikaans-Mexicaanse oorlog van 1846-1848 bezegelde echter indirect ook het lot van de Comanchen. Hun territorium kwam onder zware druk te staan van kolonisten, en tegelijk begon de bizon, de basis van de Comanche-economie, in hoog tempo te verdwijnen. Hämäläinen is ook op dat punt genuanceerd: de bizon werd niet zomaar afgeslacht door blanke jagers, het voortbestaan van de soort was al veel langer precair door indiaanse overbejaging en steeds fellere concurrentie om gras en water met de honderdduizenden paarden en koeien die de prairies inmiddels ook bevolkten. Met het verdwijnen van de bizon deed hongersnood zijn intrede onder de Comanchen, die nu ook opgejaagd werden door milities en het leger. Rond 1875 was het definitief gebeurd: de stam, verdreven uit Texas, verdween nu zelf bijna van het aardoppervlak. (Inmiddels leven weer zo’n 10.000 Comanchen in de staat Oklahoma).

Hämäläinen analyseert deze hele adembenemende geschiedenis voortreffelijk, met grote aandacht voor de politieke en sociale organisatie van de Comanchen. Het boek heeft wel enkele gebreken die het minder aanlokkelijk zullen maken voor de niet bovengemiddeld geïnteresseerde lezer, of voor hen die zich eerst door Arthur Japins literaire western De overgave (2007) zijn gaan interesseren voor de Comanchen. Het proza van Hämäläiken is om te beginnen eerder droog dan meeslepend en doorspekt met academisch jargon. De auteur gaat bovendien soms wel heel ver in zijn ijver om de Comanchen als rationele strategen neer te zetten. Zo interpreteert hij het feit dat Comanchen de slavinnen die ze in New Mexico kwamen verkopen soms eerst verkrachtten, vooral als een manier om hun prijs op te drijven. De Spaanse kopers zouden zich het lot van de vrouwen dan namelijk zo aantrekken, dat ze er nog meer voor over hadden om hen van hun brute eigenaren los te kopen. Dat is mogelijk, maar wie weet handelden ze ook gewoon uit machtsdrift en wellust.

Die kanttekeningen doen niets af aan de kwaliteit van dit meer dan degelijke boek, dat de romantische pulp die er over de Comanchen is verschenen, ver achter zich laat, en dat ten langen leste recht doet aan een miskend imperium op Amerikaans grondgebied.