Stijgende prijzen politiek dilemma

India kampt met een snel stijgende inflatie. Subsidies op brandstof en voedsel, die de armen beschermen, versterken de effecten van stijgende prijzen op de wereldmarkt.

De Indiase premier Manmohan Singh heeft geen goed woord over voor geldontwaarding. „Inflatie is een regressieve, onrechtvaardige belasting die de armen het zwaarst treft”, doceerde de in Cambridge en Oxford afgestudeerde econoom begin dit jaar in verschillende toespraken. Toen leek de stijging van de Indiase inflatie nog een beetje zorgelijk: van ruim 4 procent eind januari naar ruim 7 procent begin april. Inmiddels is er geen enkele ruimte meer voor relativering. Volgens het laatst gepubliceerde cijfer stond de inflatie juni op 12 procent – het hoogste percentage in dertien jaar.

En het had erger kunnen zijn, ware het niet voor de goede tarweoogst. De inflatie in India wordt, zoals in veel landen, van buitenaf aangewakkerd. Het land is sterk afhankelijk van de import van – dure – olie en grondstoffen. Juist landen waarvan de burgers een groot deel van hun inkomen aan energie en voedsel besteden, zijn gevoelig voor inflatie. Maar juist op het punt van de sterk gestegen voedselprijzen is enige verlichting gekomen. De tarweoogst van afgelopen voorjaar is goed uitgevallen en dat betekent dat er vooralsnog in India zelf voldoende graan voorradig is. Daarvoor hoeft India in ieder geval niet de dure wereldmarkt op.

De inflatiestijging betekent een rampscenario voor premier Singh en zijn regering onder aanvoering van de Indiase Congrespartij. Uiterlijk volgend jaar mei zijn er nieuwe verkiezingen in India. In het vooruitzicht daarvan had de regering in haar laatste begroting alvast cadeautjes uitgedeeld, onder andere met kwijtschelding van schulden aan boeren. Maar in plaats van met blijde gezichten moeten de Congrespartij en haar coalitiegenoten nu rekening houden met morrende burgers. En misschien met eroderende groeicijfers voor de economie die het juist de afgelopen jaren zo goed deed. Voor de oppositie, onder leiding van de hindoenationalistische BJP, is het prijsschieten.

Van oudsher schermt de Indiase overheid haar burgers af van de grillen van de wereldmarkt door het verstrekken van subsidies. Als het gaat om voedsel- en brandstofbonnen voor de 300 miljoen armen in het land, is dat terecht, zeggen deskundigen. Het systeem van publieke distributie fungeert als een sociaal vangnet voor de onderkant van de samenleving. Dat er op grote schaal misbruik van wordt gemaakt, wordt voor lief genomen.

Fundamenteler is de kritiek op de subsidies die automobilisten krijgen bij de pomp en huisvrouwen bij de aanschaf van butagas om mee te koken. Vorige maand verhoogde de regering de prijs van benzine (met 11 procent), diesel (met 9 procent) en butagas (met 17 procent). Voor de consumenten is het niet leuk dat ze meer moeten betalen. Maar hun kosten blijven nog steeds ver achter bij de prijsexplosie van olie op de wereldmarkt. Consumenten worden dus niet aangemoedigd tot zuiniger gebruik, terwijl de staatsoliemaatschappijen moeten interen. Dat is op den duur onhoudbaar, zeggen critici. De groeiende subsidies op brandstof en voedsel slaan bovendien een enorm gat in de overheidsfinanciën van India.

Maar vlak voor de verkiezingen, met ook nog eens politieke turbulentie over het omstreden nucleaire akkoord met de VS, staat niemand te popelen om structurele maatregelen te nemen.

Integendeel, toen de Indiase vrachtwagenchauffeurs vorige week massaal staakten tegen verhoging van hun transportkosten, werden al hun eisen ingewilligd. Zo ging de aangekondigde verhoging van tolheffing niet door. En boeren werd er vorige week in grote krantenadvertenties op gewezen hoeveel subsidie de overheid hun geeft op kunstmest.

Zo tempert de Indiase regering de pijn van de inflatie. Voor echte bestrijding van de geldontwaarding, vertrouwt zij vooralsnog op het monetaire instrumentarium van de centrale bank, de Reserve Bank of India. „Het beste instrument om de totale vraag te verminderen is monetair beleid en daarom vormt de Reserve Bank of India, de monetaire autoriteit, de eerste verdedigingslinie”, zei minister van Financiën Palaniappan Chidambaram deze week op televisie.

Afgelopen maand verhoogde de centrale bank het rentetarief waartegen banken kunnen lenen naar 8 procent en twee keer eerder verhoogde ze de verplichte kasreserve die banken moeten aanhouden. Analisten gaan er vanuit dat later deze maand nog meer maatregelen volgen om de geldomloop te verkrappen.

Maar desalniettemin blijft de inflatie voorlopig relatief hoog, waarschuwde de gouverneur van de centrale bank, Yaga Venugopal Reddy, vorige week op een conferentie in Manchester. Eerste prioriteit voor centralebankiers is nu de angst voor verder oplopende inflatie te bezweren, al zal een lichte stijging in de kosten van levensonderhoud moeilijk te vermijden zijn, aldus de bankgouverneur.

Als minister van Financiën maakte de huidige premier Singh begin jaren negentig naam door de Indiase economie open te breken. Toen hij in 1991 aantrad op het ministerie stond de inflatie op 16,7 procent. Vijf jaar later, bij zijn aftreden in mei 1996, was de geldontwaarding gedaald tot in de buurt van 5 procent. De – ijdele – hoop van de huidige regering is dat zoiets ook weer gebeurt, maar dan al in de komende maanden – voordat de kiezers aan de beurt zijn om hun oordeel te vellen.