Roem, schouderkloppen en geld

The Vincent heeft een rel: een van de vijf genomineerden voor de kunstprijs, de Oostenrijker Peter Friedl, haakte daags voor de opening af. De jury zit nu met een dilemma: hem belonen voor zijn artistieke daad of een keuze voor een beschaafde middenweg?

Ha een rel! De toeschouwer die op 20 juni van dit jaar de nieuwsberichten over The Vincent in de Volkskrant of NRC Handelsblad aantrof zal maar moeizaam een sarcastisch lachje hebben kunnen onderdrukken. Een rel – dat was nou precies wat The Vincent nodig had. Laten we eerlijk zijn, deze ‘prestigieuze Europese kunstprijs’ dreigde een ingeslapen bedoening te worden.

Sinds de oprichting in 2000 ontwikkelde The Vincent zich tot zo’n prijs waaraan je net te goed kunt zien dat het een publiciteitsvehikel is – een van de vele prijzen en prijsjes waarover in het spoor van de Britse Turner Prize was bedacht dat zij ook wel wat aandacht konden genereren. Enerzijds zit de jury vol met namen die de macht en het geld in het kunstcircuit vertegenwoordigen (zoals Manuel Borja-Villel, directeur van het Reina Sofia Museum in Madrid, Ingvild Goetz van de Sammlung Goetz in München en Beatrix Ruf, directeur van de Kunsthalle in Zürich) en ligt er voor de winnaar 50.000 euro klaar. Maar dat geld wordt niet sjiek weggegeven aan de beste.

Eerst moet er de zo langzamerhand traditionele wedstrijd worden afgewerkt waarbij vijf genomineerden om de prijs strijden – dit jaar waren dat Francis Alÿs, Peter Friedl, Liam Gillick, Deimantas Narkevicius en Rebecca Warren. Met dat systeem is op zich niet eens zoveel mis, de kunstenaars doen tenslotte vrijwillig mee, ware het niet dat het nominatiesysteem (extra aandacht, discussie over de inhoud van het werk) bij The Vincent nauwelijks effect heeft: het werk van de genomineerden is weerbarstig; de kunstenaars functioneren in een klein, zeg maar gerust elitair circuit. The Vincent is dus eigenlijk een publieksprijs zonder veel publiek – en zelfs dat is niet erg, als de organisatie het maar niet zo hardnekkig zou ontkennen. Maar nee hoor, dit jaar werd er nota bene een echte ‘publieksprijs’ van 5000 euro in het leven geroepen.

Om die reden was het dus nogal grappig dat The Vincent eindelijk zijn rel had – zonder rellen was de Turner Prize nooit een instituut geworden. Maar dit was een hele rare. De kwestie draait om de Oostenrijkse kunstenaar Peter Friedl (1960). Dat hij genomineerd was, is op zich al curieus. Het oeuvre van Friedl draait namelijk om zaken als geschiedenis en macht en vorm – en dan in het bijzonder in de kunstwereld. Friedl onderzoekt hoe de blik van de toeschouwer wordt gestuurd door de context waarin dingen worden bekeken. Hij ontrafelt de geconditioneerde manier waarop ieder mens naar de kunst en de wereld kijkt en de betekenis van de vorm waarin dingen worden gepresenteerd. Het is daarbij essentieel dat Friedl een typische contextkunstenaar is. Zijn werk ziet er meestal simpel uit, maar wat je ziet is steevast een opstapje naar allerlei verhalen en theorieën die je als toeschouwer pas begrijpt als je Friedls teksten leest en je verdiept in de merites van zijn oeuvre.

Dat bleek bijvoorbeeld mooi in zijn bijdragen aan de laatste Documenta. Daar exposeerde Friedl onder andere zijn kindertekeningen, om de toeschouwer te laten nadenken over de grenzen van het kunstenaarschap. Ook was er de film Tiger oder Löwe te zien, waarin een tijger door een oude, enigszins klassiek gebouwde ruimte loopt; later zien we ’m vechten met een stoffen speelgoedslang. Daar bleek Friedl een heel stelsel van bedoelingen mee te hebben: zo verwijst de tijger naar het schilderij Tiger und Schlange van Eugène Delacroix dat normaal wordt geëxposeerd in de Hamburger Kunsthalle. Juist in die museumzaal liet Friedl de tijger rondlopen. Hiermee wilde hij, volgens de uitleg, onder andere het verschil tussen het medium film en het medium schilderkunst aan de orde stellen en vragen stellen bij de macht van het museum – met de tijger als machtssymbool.

Maar goed. Voor de mensen

die hiervan enigszins op de hoogte waren, was het sowieso al vreemd dat Friedl aan The Vincent mee deed. Zo’n prijs is, hoe je het ook wendt of keert, een perfect symbool van ouderwetse artistieke bevoogding: de machthebbers kiezen de kunstenaars die zo veel mogelijk aan hun normen voldoen en belonen diegene met roem, schouderkloppen en geld. Hoe kon een kunstenaar die er bijna een missie van heeft gemaakt om dat soort mechanismen aan de kaak te stellen zich zo makkelijk aan dat systeem onderwerpen?

Nou, niet dus – of preciezer: schijnbaar niet. Op 19 juni, vlak voordat The Vincent-tentoonstelling opende, trok Friedl zich na een ruzie met Stedelijk-directeur Gijs van Tuyl plotseling terug. Dat moet een heel spektakel zijn geweest, volgens het bericht in deze krant een dag later. Daarin is onder andere sprake van een „woede-uitbarsting” van Friedl die zijn zaal op de expositie in „no time” leeghaalde – waar Van Tuyl nog aan toevoegt dat Friedl zich in de voorbereidingen „onmogelijk” had gedragen. Maar wat echt interessant was, was Friedls inhoudelijke reden om zich terug te trekken. Volgens de kunstenaar had hij al een aantal keren aangekaart „ethische bezwaren” te hebben tegen prijs en jurering. „Een van de juryleden is een kunstverzamelaar”, zo meldde Friedl, „die werk bezit van Francis Alÿs. Daardoor is de competitie bij voorbaat al onderworpen aan vooroordeel.”

Toegegeven, die zin heb ik een aantal malen gelezen. Stond het er echt? Was het werkelijk mogelijk dat Peter Friedl, machtsdenker bij uitstek, de man die het begrip context ongeveer opnieuw heeft uitgevonden, maanden aan een tentoonstelling had gewerkt om er exact op de opening achter te komen dat een jury van kunstmachthebbers wel eens niet helemaal onbevooroordeeld zou kunnen zijn? Was die man werkelijk zo dom? Of speelde hier iets anders?

Eigenlijk waren er, als je er over nadacht, twee scenario’s af te leiden uit Friedls gedrag. De ene was dat Friedl zomaar aan The Vincent was gaan meedoen en daarbij nauwelijks had nagedacht over de betekenis en de consequentie van die deelname – maar dat was gezien het bijna marxistische gehamer op context in zijn werk niet erg waarschijnlijk. De andere mogelijkheid was echter een stuk intrigerender: dat die hele rel opzet was. Dat Friedl zijn uitverkiezing voor The Vincent heeft gebruikt om zich als een paard van Troje het prijzencircus in te manoeuvreren en zich daar vervolgens met veel herrie en aplomb van te distantiëren. Daarmee stelt hij de ambivalentie van zulke prijzen aan de kaak, hun halfhartige zoektocht naar kwaliteit enerzijds en hun gehengel naar publieke aandacht er tegenover. Bovendien zet hij zichzelf dan definitief neer als de luis in de pels van de kunstwereld die de onwaarachtigheden en het gemarchandeer van binnenuit durft te bekritiseren.

Aan die strategie zit echter ook

een nadeel: dat Friedl zich weinig collegiaal opstelt tegenover zijn mededingers. Sterker nog, in zekere zin schoffelt ie ze onderuit, juist doordat ook Alÿs, Gillick, Narkevicius en Warren zich ieder op hun manier bezighouden met het deconstrueren van maatschappelijke en artistieke mechanismen, maar wel aan de prijs blijven meedoen. Drie van de vier doen dat nog goed ook, zoals zichtbaar wordt op de tentoonstelling in het Stedelijk. Eigenlijk weet alleen Liam Gillick een gaapverwekkende desinteresse op te wekken met een zware, hermetische film van een leeg kantoor vol modernistische meubels, met op de achtergrond een stem die een onbegrijpelijke boodschap inspreekt op een antwoordapparaat. Maar hij is de uitzondering.

Rebecca Warren komt met prikkelende beelden van grote, amorfe kleiopeenhopingen. Die zien er op het eerste gezicht willekeurig uit, maar ze intrigeren wel. Als toeschouwer betrap je je er na een tijdje op dat je met plezier naar die rare klonten hebt staan staren en zelfs bent verleid te zoeken naar herkenning, betekenis, schoonheid misschien zelfs wel.

Nog meer indruk maken de bijdragen van Deimantas Narkevicius en Francis Alÿs. Beiden houden zich in hun werk nadrukkelijk bezig met de geschiedenis van en de politieke situatie in het land waar ze wonen, respectievelijk Litouwen en Mexico. Bij Narkevicius gaat het daarbij vooral over het communistische verleden en de manier waarop dat systeem de hedendaagse kijk op de wereld heeft beïnvloed. Dat komt het beste naar voren in The Head, een film waarin Narkevicius oude beelden combineert tot een filmportret van het ontstaan van het enorme beeld van Karl Marx dat op een plein staat in Chemnitz, het voormalige Karl Marx-Stad. De oude communistische retoriek waarmee de film is doorspekt is lachwekkend, maar ook beklemmend.

Daarmee vergeleken is Alÿs meer gericht op de directe actualiteit. Hij toont kleine schilderijtjes van mensen die in Zuid-Amerika zijn gelyncht, als reactie op de ‘terugkeer’ van lynchpartijen, die volgens Alÿs mede voortkomt uit het falen van het juridische systeem in die landen. Zeker zo prikkelend is zijn korte film El Gringo, waarin hij met een camera een Mexicaanse sloppenwijk ingaat. Al snel wordt hij aangevallen door de lokale zwerfhonden en ziet hij zich genoodzaakt de camera in te zetten om de beesten van zich af te slaan – waarmee hij de ambivalente rol van de camera (zowel observator als uitdager) prachtig verbeeldt.

Maar hoe goed deze werken ook zijn,

door Friedls opstelling, door de context die hij in zijn eentje aan deze aflevering van The Vincent heeft verschaft, worden deze kunstenaars ook neergezet als brave machtsvolgers die zich voegen naar het systeem. En dan luidt natuurlijk de vraag: is dat erg? Moet een kunstenaar altijd de uiterste consequentie uit zijn ideeën trekken? Of moet een kunstenaar ‘gewoon’ zijn inhoudelijke statements maken, zich niet te veel van het gerommel in de kunstwereld aan te trekken en zo’n prijs vervolgens ‘gewoon’ in zijn zak steken?

Dat zijn serieuze vragen, zeker voor een prijs als The Vincent. Wat je ook van Friedl denkt, zijn gedrag en zijn terugtrekking leren dat zo’n prijs geen vrijblijvende kwestie is, maar dat het hele circus eromheen de getoonde werken ook extra betekenis geeft – dat heeft Friedl in ieder geval overtuigend laten zien. Als de jury dat ook vindt en als ze haar functioneren binnen de kunstwereld serieus neemt, zit er voor haar eigenlijk maar één ding op: de prijs alsnog aan Friedl geven. Dat voelt natuurlijk cru, juist doordat Friedl zich zo onaangenaam heeft gedragen, maar daarmee zet de jury de zaken wel op scherp.

Eigenlijk is het simpel: als Friedl de prijs krijgt toegekend, maar hem dan weigert, was die terugtrekking hem ernst en heeft hij er dus vanaf het begin slecht over nagedacht – waarmee hij zichzelf als kunstenaar definitief diskwalificeert. Accepteert hij The Vincent alsnog, dan was het allemaal spel, een provocatie, of beter nog: een kunstwerk. Friedl heeft dan tamelijk dubieus gehandeld door te liegen, medewerkers van het Stedelijk te bruuskeren en zijn medekunstenaars voor schut te zetten. Tegelijk toont hij dan wel aan dat hij de uiterste consequentie uit zijn eigen artistieke stellingname trekt. Dan heeft hij werkelijk iets op het spel durven zetten. Als de jury dat beloont, benadrukt ze dat The Vincent een prijs is die keuzes durft te maken, dat je ook binnen het kader van zo’n prijs onafhankelijk over artistieke mechanismen kunt blijven denken. En daar was zo’n prijs toch voor?

Maar ik heb er een hard hoofd in – daarvoor heeft Friedl het de jury te gemakkelijk gemaakt zijn terugtrekking ‘gewoon’ serieus te nemen. Als dat zo is, gaat het vermoedelijk als volgt: of de jury zoekt een beschaafde middenweg en roept Deimantas Narkevicius uit tot winnaar – een goede, beschaafde, en niet volledig veilige keuze. Wil de jury echter laten zien dat ze zich niets van Friedl aantrekt dan wordt het alsnog Alÿs – waar gezien de kwaliteit van diens werk ook niks mis mee is. Alleen: over die uitverkiezing zal een grauwsluiter van verdachtmaking blijven hangen. En die strekt zich uit over The Vincent als geheel: als het erom gaat, kiest deze prijs er blijkbaar voor om een prijs als zovele andere te zijn, een prijs die braaf achter de macht aanhobbelt en die de lieve vrede voorrang geeft boven artistieke kwesties. Nu heeft de jury de kans om het verschil te maken.

The Vincent. T/m 30 sept in het Stedelijk Museum, Oosterdokskade 5, Amsterdam. Dagelijks van 10-18u. The Vincent zal worden uitgereikt op 12 september. Inl: www.stedelijk.nl