Ik wil warmte voelen, of iets anders

Robbert Welagen: Philippes middagen. Nijgh & Van Ditmar, 128 blz. € 16,50

Het is niet moeilijk om in Philippes middagen, de tweede roman van Robbert Welagen (1981), zinnen aan te wijzen die de kern van de hoofdpersoon lijken te raken – en misschien ook wel die van de schrijver. ‘Om eerlijk te zijn denk ik alleen maar aan vroeger’, staat er dan. Of: ‘Ik weet niet hoe dat moet, iemand binnenlaten in mijn leven, in het nu.’

Net als in Welagens terecht met de Selexyz debuutprijjs bekroonde Lipari leidt dit boek ons het leven binnen van een voorzichtige jongeman voor wie het echte leven best even uitgesteld mag worden. Als het meisje met wie hij al een zomer optrekt hem in de nek kust en vraagt of hij blijft slapen, constateert hij: ‘Ik probeer iets te voelen. Warmte of iets anders. Mijn band met het heden is broos. Er is maar weinig nodig om hem te verbreken. Maar hij is verbroken.’

Dat laatste drukt vrij precies uit wat er op dat moment met Robbert, zo heet de verteller, aan de hand is. Via het meisje – dat in het vacuüm tussen twee levensfasen een verlaten huis bewoont – is hij diep ondergedompeld geraakt in zijn verleden. Twaalf jaar eerder had hij korte tijd een intensief en abrupt afgebroken contact met een twintig jaar ouder paar, Louise en Philippe. Daarbij werd de spil gevormd door de man, aan wie het boek zijn titel ontleent. Nu ontmoet Robbert de vrouw weer en probeert hij samen met haar de weg terug naar hun gezamenlijke stukje verleden te vinden. Een bij voorbaat tot mislukken gedoemde onderneming. ‘Het leven heeft mij zijn grenzen aangegeven’, zegt de vrouw – een fraai eufemisme voor iemand die de hoop op geluk heeft opgegeven.

Zo ver is het met Robbert nog niet, al heeft hij weinig om op terug te vallen. Zijn moeder is zijn enige familielid, maar zij is vertrokken op het moment dat hij een beetje op een volwassene begon te lijken. Niet dat dat nu zo veel uitmaakte: zij was een vrouw van het egocentrische type dat haar kind vroeg hoe het op school was geweest – midden in de vakantie. Het doet je denken aan een van de mooiste zinnen uit Lipari, over de ouders van de hoofdpersoon in dat boek en de verjaardag van hun zoon: ‘Ze vergaten hem meestal, zoals andere mensen vergeten waar ze hun auto hebben geparkeerd.’

De tweede roman van Welagen is in sfeer, stijl en thematiek te lezen als een vervolg op zijn debuut. Maar er zijn ook verschillen, waarvan het belangrijkste is dat er veel meer spanning in de plot is aangebracht. Je kan ook zeggen: Welagen heeft een plot aangebracht; in Lipari waren de gebeurtenissen van ondergeschikt belang. In zijn nieuwe boek onthult hij geleidelijk aan steeds meer over de achtergronden en de beweegredenen van zijn personages.

Het merkwaardige is dat het boek daardoor niet beter is geworden. Waar in Lipari vrijwel alles draaide om het onuitgesprokene, wordt er in Philippes middagen zo veel terloops uitgelegd dat je afgeleid raakt. Want wie er wanneer en met welke reden en in wat voor gezelschap verbleef in welk verlaten landhuis – je leest het wel, maar eigenlijk kan het je niet zo veel schelen. De kern zit bij Welagen ergens anders, die schuilt in de manier waarop hij kan laten zien hoe mensen langs elkaar heen leven en daar toch een zeker geluk aan ontlenen. Daarbij moet hij het hebben van een gebrek aan informatie, van een langs de werkelijkheid heen schrijven.

De feilen van zijn tweede roman nemen niet weg dat Welagen een even groot als jong talent is. Hij kan een willekeurige ontmoeting een vergeefsheid geven die je dadelijk bij de keel grijpt: ‘Louise gaf Philippe een kus op zijn wang. Daarna gleed ze op een smachtende manier met haar mond langs zijn oor. En hoewel zij elkaar aanraakten had je toch het gevoel dat het bewegingen waren van twee geestverschijningen.’