Ik treur om de jongeling die ik was

Lieve Gerrit,

Veel dank voor je opbeurende brief. Ik word altijd vrolijk van fronsende wolken en razende zwerken, maar wat mijn hart werkelijk doet openbarsten met vreugde is een zot die in zichzelf praat.

Gerrit, jongen, gaat het goed met je? Moet ik mij geen zorgen maken? Misschien wordt het tijd voor een bezoek aan de kroeg, daarvoor heeft toch niet elke schrijver paladijnen nodig? Uwe nederige dienaar zeker niet. Ik ging er weer eens heen om te kijken hoe het bepaalde mensen ging.

Ondanks je conflicterende gevoelens aangaande gezelligheid en gezelschap, heb ik je wel zien glunderen wanneer je weer in Nederland en in het café was, de armen gekruist, witbier voor je en een schare bekenden en vrienden om je heen, niet zelden jonge dichters en schrijvers. (Toch geen paladijnen, jongens? Nee, meester, geen paladijnen.) Tot aan de laatste ronde en daarna verder de nacht in.

Je hoeft je geen zorgen te maken dat ik mijn tijd verspil aan tafel en achter glas. Het gevaar bestaat (en ik ken dat maar al te goed) dat cafégelal en alcoholisch georakel de roes van het schrijven vervangen. Dan zwalkt men huiswaarts, met ofwel het gevoel toch enig werk te hebben verricht in de vorm van – proest! – research in de kwinkslagen die men heeft uitgedeeld (‘Die opmerking moet ik niet vergeten; wellicht past zij in mijn nieuwe roman’), of met het vaste voornemen morgen echt aan het werk te gaan. Men lacht de nachthemel toe die zijn eigen besognes heeft. Dan legt men het tollend hoofd op het kussen en lijkt de gang naar schrijftafel een geketende gang naar het schavot onder de last van een kruis, een volledige kruis en niet enkel de ‘ra’.

Tegenwoordig ga ik elke ochtend schrijftafelwaarts alsof ik in kluisters en onder de last van een kruis richting schavot loop, maar zonder dat ik de avond ervoor in de kroeg heb doorgebracht en zonder de smaak van een dode kater in mijn mond.

Ja, ja: ik weet wat het is om volwassen te worden. Ik vergrijs en melancholie kleurt met schemer mijn gemoed. Ik ben mij bewust van de eindigheid van alles en ik treur om de jongeling die ik was en die in de rommelige kelder van mijn geheugen opgebaard ligt. Het liefst stampte ik hem de onzichtbaarheid in.

En dan zijn er al die misstappen, de verkeerde keuzes (nu mag je triomfantelijk grijnzen) en zoveel verspilde tijd. Ik zie Amsterdam blaken in zomerzonlicht en ik denk – aan de dood. Ik lees de kleurige en dansende poëzie van Pieter Boskma en achter de kleuren en tussen de dansers hoor ik de dood, bronsstemmig. Ik schrijf je deze brief en ik denk – aan de dood. In het kort: de dood is vaak in mijn gedachten de laatste tijd.

Of je het gelooft of niet: ik las de biografie van Joyce door Ellmann en de laatste anderhalve pagina’s waarin zijn dood, begrafenis en de dood van zijn vrouw beschreven werden vielen mij zwaar te moede.

Ik bedoel dit niet sentimenteel, noch zie ik er enige voorbode in, want ik ben niet bijgelovig. Wat een mogelijkheid is, is dat ik in een dichter aan het transformeren ben, want dichters zijn toch allemaal getrouwd met de dood of, zoals Keats zegt, er verliefd op. O jee! Zou het?

Deze gedachte doet mij meteen het leven omarmen en ik sluit af, want ik ga buiten in de zon een dansje maken om de toekomst te verwelkomen.

Veel liefs, Hafid