Ik heb lange lege dagen nodig

Anna Woltz (26) is kinderboekenschrijfster.

Zij werd dit jaar genomineerd door de Nederlandse Kinderjury voor Het geheim van de stoere prinses.

Omdat schrijven best eenzaam kan zijn, woont Anna Woltz (26) in een studentenhuis met vier andere meisjes, in het centrum van Utrecht. Haar kamer is groot, licht en heeft een hoog plafond. Het is er stil. Aan de wand hangen posters van boeken, kindertekeningen en een foto van Jefta, een spierwitte herdershond. Op tafel haar laptop, daarop tikte ze afgelopen herfst haar nieuwste kinderboek Tien dagen in een gestolen auto. Over de driftige Camilla die baby’s trollen noemt, blije mensen haat, en door haar zwangere moeder op de boot naar verre vrienden is gezet. Samen met twee puberjongens maakt ze een roadtrip door Zweden, op zoek naar hun ontvoerde vader.

Anna komt uit een schrijversgezin: vader Wout Woltz is journalist en oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, moeder Marja Roscam Abbing heeft drie kinderboeken geschreven. Anna noemt het „geen toeval” dat ze alle drie voor een schrijversbestaan hebben gekozen, „we houden van taal”. Maar wat haar teksten betreft is ze een echte Roscam Abbing: „Het inlevingsvermogen, de belangstelling voor kinderen, dat heb ik van mijn moeder. We kunnen ons allebei volledig in een verhaal verliezen.”

Anna’s schrijfcarrière begon al vroeg. Haar streven was iedere zomervakantie één boek. Als haar vriendinnen aan het strand lagen zat zij achter de computer. Maar pas jaren later, op haar vijftiende, durfde ze haar teksten aan anderen te laten lezen. Ze kreeg een column in de Volkskrant, waarin ze anoniem verslag deed van haar belevenissen in de vierde klas. Een paar jaar later, ze was twintig, verscheen haar eerste fictie: Alles kookt over. Dit jaar werd Anna Woltz genomineerd door de Nederlandse Kinderjury voor Het geheim van de stoere prinses, als jongste tussen schrijvers als Carry Slee en Paul van Loon.

Anna Woltz houdt ervan zich in te leven. „Ik zit vaak met ingehouden adem achter de computer. Met mijn schouders opgetrokken, heel krampachtig, uren achter elkaar. Als mijn personages buiten adem zijn, ben ik dat ook.” Als ik haar vervolgens vraag een passage voor te lezen die haar zo meesleept, verslikt ze zich bijna in een paar tranen.

Hoe komt het dat het je zo raakt?

„Tien dagen in een gestolen auto is in een vlaag van woede geschreven. Vlak daarvoor had ik te horen gekregen dat mijn beste vriendin ernstig ziek is. Ik was woedend. En dat drong door tot Camilla (de hoofdpersoon van Tien dagen in een gestolen auto, red.). Die opstandige toon van haar, die boosheid, dat ben ik zelf. Gek genoeg heeft dat het boek ook een beetje mooier gemaakt.”

Emoties maken dat je mooier schrijft?

„Veel voelen helpt. Bij mijn schrijven tenminste. Ik schrijf graag over heftige emoties en een beetje psychologie. De emoties in mijn boeken zijn niet bedacht. Bij Camilla is dat nog een beetje sterker omdat het boek in de ik-persoon geschreven is. Zij heeft een heel eigen taal en denkwijze gekregen. Iets dat ik trouwens niet meer los kon laten, dan schreef ik collega’s e-mails met veel ‘dus’ erin en ‘Man wat een onzin’.”

Je boeken gaan altijd over jezelf?

„Nee, want fictieve en werkelijke emoties hoeven niet precies gelijk te zijn. Camilla bijvoorbeeld is gek op auto’s. Ik haat auto’s. Ik vond mijn rijlessen verschrikkelijk. Maar ik heb dus wel heftige gevoelens over auto’s. Die kan ik gebruiken, omzetten in positieve gevoelens.”

Maar is schrijven dan niet dodelijk vermoeiend?

„Ik moet heel erg uitgerust zijn om te kunnen schrijven. Je zult me ook nooit met een glas wijn zien tikken, dat maakt mijn hersens wollig. Schrijven is verreweg het moeilijkste dat ik mijn leven doe. Ik begin de dag met het herschrijven van het stuk dat ik de dag ervoor heb geschreven. Dat is een mooie manier om erin te komen. Dat kan een half uur duren. Soms twee of drie uur. Het wordt pas leuk als ik helemaal in het verhaal zit. Dan kan ik wel tweeduizend woorden per dag schrijven, vanaf een uur of een tot zes. Dat is ook genoeg. Dan ben ik uitgeput.”

Je gaat op in het verhaal. Geloof je de gebeurtenissen dan ook even echt?

„Echt geloven misschien niet, want ik heb het zelf bedacht. Maar tijdens het schrijven maak ik het mee. Ik vind het daarom belangrijk dat een verhaal echt gebeurd kan zijn. Ik houd rekening met het weer, of het licht of donker is, of de keuken links of rechts zat. Dat moet allemaal kloppen. In Tien dagen in een gestolen auto komt een baby voor, daarvoor heb ik behoorlijk wat research gedaan. Want kan een kind van zeven maanden al zitten? En wat eten ze eigenlijk? Zulk soort vragen. Ik heb in een winkel een briefje opgehangen: ‘wie wil mij babyles geven?’ Een aardige moeder nodigde me uit. Ik ben gegaan als Camilla, met het idee: stel dat ik nu helemaal alleen verantwoordelijk was voor dat kind. Dan is zo’n baby helemaal niet lief en gezellig hoor. Daar word je wanhopig van.”

Nog meer trucs om je voor te bereiden, om inspiratie te krijgen?

„Ik heb lege dagen nodig. Dagen waarop ik een beetje met mijn ziel onder mijn arm rondloop. Dan ga ik wandelen, dat zet mijn hersens in een hogere versnelling. Meestal naar het Wilhelminapark, of nog verder. Ergens waar weinig mensen zijn. Want ik ben dan namelijk zo druk aan het verzinnen dat ik allerlei vreemde gezichtsuitdrukkingen krijg. Ik speel ongemerkt kleine toneelstukjes. Ik hoor mijn hoofdpersonen praten.

Schrijven heeft echt iets magisch. Ik geloof niet in god, maar wel in een soort goddelijke invallen. Die heb ik ook echt. Dan denken mijn hersens voor mij. Dat ik een net geschreven scène teruglees en er zelf verbaasd over ben. Ik wil mijn hersens dan wel een klopje op hun schouders wil geven. Zo van, goed gedaan, jullie hebben gewerkt. Ik heb een goede relatie met mijn hersenen.”

Want tijdens het schrijven zijn jouw hersens op hun best.

„Ik heb echt het gevoel dat ze gemaakt zijn om te schrijven. Als ik met vriendinnen heb afgesproken en uren heb gepraat, dan heb ik na zo’n avond niet het gevoel dat mijn hersens echt aan het werk zijn geweest, ze hebben geen bijzondere prestatie geleverd. Dat heb ik alleen bij een mooi geschreven scène.”

Houd je rekening met de leeftijd van je publiek, of kunnen die scènes over alles gaan?

„Ik voel een bepaalde verantwoordelijkheid. De boeken die ik voor tien plus schrijf, gaan soms een klein beetje over verliefdheid, niet over seks. Ik mag toch hopen dat een tienjarige nog geen seks heeft. Ik was er op die leeftijd ook echt niet in geïnteresseerd, het leek me smerig. Zoenen ook, al dat spuug van een ander in je mond, bah.”

Maar je bent toch geen tien meer?

„Ik kruip wel in de huid van een tienjarige. Ik hoef me daarom ook niet te beheersen. Ik denk niet aan seks tijdens het schrijven. Zelfs zoenen vind ik al ver gaan. Dat soort onderwerpen kan ik in mijn columns in de Volkskrant wel kwijt. En ik zal ook best eens een volwassen roman gaan schrijven. Niet dat ik dat als iets hogers of beters zie. Kinderen als publiek zijn geweldig. Die geloven namelijk volledig in een verhaal. En dat doe ik dus ook – voor even. Schrijven is voor mij een ontsnappingspoging.”

Waar ontsnap jij aan?

„Aan alles. Niemand is echt vrij. Ik heb een kamer waar ik elke maand huur voor moet betalen. Ik zoek een leuke man. En wil mijn ouders en zusje vaak zien. Ik zit met allemaal kleine weerhaakjes vast aan dit leven. Mijn leven kabbelt rustig voort. Maar als ik schrijf maak ik een roadtrip in een oude Saab door Zweden, op zoek naar een paar ontvoerders, op de achterbank een onbekende baby. Dat is toch geweldig?”