‘Ik ben nu jood van beroep’

Honderdduizend exemplaren gingen er in Nederland over de toonbank van het joodse-Zwitserse familie-epos ‘Het lot van de familie Meijer’. Gesprek met de schrijver, Charles Lewinsky, over het ontstaan van zijn boek.

Vlekkeloos Engels spreekt Charles Lewinsky, maar zijn zangerige intonatie verraadt zijn Zwitserse achtergrond. Ook als hij fel uithaalt naar de hypocrisie van zijn land, of geërgerd vaststelt dat hij nu overal moet opdraven als dé Zwitserse expert in het jodendom, blijft zijn stemgeluid vriendelijk en melodieus. Zijn beschaafde uitstraling wordt versterkt door zijn gesoigneerde grijze krullen en smaakvolle kleding.

Van zijn meest recente en internationaal zeer succesvolle roman Het lot van de familie Meijer werden alleen al in Nederland meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Dat hij, zoals hij het zelf spottend formuleert, sindsdien ‘jood van beroep’ is geworden, is niet zo vreemd. Het boek is een uitgesproken joods familie-epos, bevolkt door joodse personages en doorspekt met Jiddische uitdrukkingen. De lijvige, 19de-eeuws aandoende roman laat de lezer delen in het lief en leed van vier generaties Zwitserse joden, in de periode van 1871 tot 1945.

De zelf joods-Zwitserse auteur heeft zich uitgebreid gedocumenteerd over die historische periode. Zijn boek voorziet in de honger naar liefst ‘waargebeurde’ persoonlijke verhalen, die ons laten kennismaken met belangrijke maar onderbelichte episodes uit de geschiedenis. Niet eerder werd de Zwitsers-joodse geschiedenis zo uitvoerig in romanvorm in beeld gebracht. Lewinsky prikt in zijn boek de mythe door van de Zwitserse neutraliteit en tolerantie en laat zien dat ook dit land een niet mis te verstane traditie van antisemitisme en jodenvervolging kent. Een herkenbaar gegeven voor het Nederlandse publiek, dat zijn eigen zelfbeeld van tolerante verzetsnatie heeft moeten bijstellen. De in het boek terugkerende vraag of men dient te assimileren of vast te houden aan de eigen culturele en religieuze identiteit is ondertussen actueel voor lezers uit een land dat worstelt met de acceptatie van moslims.

Maar Lewinsky dankt zijn succes in de eerste plaats aan het feit dat hij een groot verteller is. Hij zet zijn personages met zoveel oog voor detail neer, dat je ze beter leert kennen dan je eigen familieleden.

Heeft u voor deze roman geput uit uw eigen familiegeschiedenis?

„Jazeker. Je moet schrijven over wat je kent. Ik zou niet over Nederland kunnen schrijven, maar de wereld van de familie Meijer ken ik. Ik weet hoe die wereld eruitziet, hoe hij voelt, hoe hij ruikt. Ik hoor tot de laatste generatie die nog een directe, persoonlijke relatie met die wereld heeft: mijn grootmoeder kon mij nog vertellen wat haar moeder haar verteld had. De volgende generatie zal er niet meer zo uit de eerste hand over kunnen schrijven. Het is niet zo dat ik voor dit boek speciaal gesprekken heb gevoerd met familieleden, maar ik heb wel geput uit verhalen die ik als kind hoorde.”

Hij heeft het geheugen van een schrijver, zegt Lewinsky. „Vraag mij niet naar de namen van mensen die ik gisteren heb ontmoet. Als schrijver heb je oog voor details, die je onbewust opslaat in je geheugen, tot ze tijdens het schrijven ineens tevoorschijn komen, en dan denk je dat je ze verzonnen hebt. Maar het zijn geen verzinsels, het zijn vergeten herinneringen.

„In dit boek komt een man voor in een kostuum, die tijdens een ceremonie een vlag draagt. Lang nadat ik deze scène had geschreven, moest ik het appartement van mijn moeder leegruimen. Daar vond ik een foto van mijn grootvader met een vlag. Hij droeg precies hetzelfde kostuum als de man die ik had beschreven. Ik dacht dat ik die scène zelf had bedacht, maar blijkbaar heb ik die foto ooit als jongetje gezien en in mijn hoofd opgeslagen. Wij creëren de wereld niet, wij geven haar opnieuw vorm uit al die kleine brokjes van onbewuste waarnemingen en herinneringen.

„Als je een genie bent, zoals Shakespeare, kun je uit die brokjes iets nieuws maken dat veel krachtiger is dan de oorspronkelijke beleving. Er zijn boeken vol geschreven met onderzoek naar de feiten en gebeurtenissen waarop Shakespeare zijn werk gebaseerd zou hebben. Maar die doen er helemaal niet toe. Wat hij ervan gemaakt heeft is veel belangrijker dan waar hij het vandaan had. Toen ik mij probeerde voor te stellen hoe zo’n vlaggenceremonie eruit zou zien, kwam dat beeld van die man in dat kostuum bij me op. Dat de man met de vlag mijn grootvader was is onbelangrijk.’’

Uw kritiek op Zwitserland is niet mis. Hoe is uw boek in eigen land ontvangen?

„Mijn boek was ook daar succesvol, maar het heeft het Zwitserse zelfbeeld wel geschokt. Zwitserland stoelt, net als Nederland, op democratische begrippen als vrijheid, gelijkheid en broederschap. Iedereen is heel trots op onze tolerante traditie: als je de wet niet overtreedt, word je geaccepteerd. Maar dat is in werkelijkheid niet zo, want onder die basisstructuur van wetgeving gaan eeuwenoude denkbeelden schuil: ‘Daar heb je een vuile buitenlander’, of ‘joden zijn heel intelligent, maar niet te vertrouwen als je zaken met ze doet.’ We zien onszelf als beschaafde mensen en liegen onszelf voor dat we die denkbeelden niet hebben, want we kunnen toch niet echte democraten zijn en tegelijkertijd een hekel hebben aan buitenlanders? Maar mensen haten nu eenmaal iedereen die anders is. Als iemand je, al is het maar door zijn aanwezigheid, confronteert met het feit dat hij anders is, haat je hem, en wil je hem kapot maken. Want het is zìjn schuld dat jij door hem verstoord raakt. Zwitserland is hierin geen haar beter dan andere landen.”

Is vreemdelingenhaat dan een onvermijdelijk universeel gegeven?

„Vreemdelingenhaat is van alle landen en van alle tijden. Maar natuurlijk moet je dat niet accepteren en moet je blijven hopen dat er verandering mogelijk is. In mijn boek is de overleden oom Melnitz, die voortdurend overal blijft opduiken om zich met de levenden te bemoeien, de spreekbuis van de oude opvattingen. Hij zegt tegen de joodse familieleden in de generaties na hem: ‘Als ze je vijfhonderd jaar geleden al haatten, waarom zouden

Vervolg op pagina 2

‘Mijn boek schokte het Zwitserse zelfbeeld’

Vervolg van pagina 1

ze je nu dan ineens aardig gaan vinden?’ Maar de anderen willen liever geloven dat die dingen veranderen, anders hebben ze – net als Melnitz – geen leven. Als je in 1932 in Duitsland had gewoond en iemand had je verteld dat er een jaar later een wet zou komen die stelde dat joden minderwaardig waren aan niet-joden, had je gezegd: ‘Ben je gek? We leven nu in de 20ste eeuw, hoor!’

„In elke maatschappij heb je twee parallelle tradities. Aan de ene kant heb je de verandering, de voortschrijdende wetenschap, en ontwikkelen we onze ideeën over de wereld doordat we naar Mars kunnen vliegen en daar water ontdekken. Parallel aan die officiële traditie heb je het verborgen geheugen, de traditie van oude opvattingen en vooroordelen, die van generatie op generatie wordt overgeleverd. Melnitz verwoordt dat verborgen geheugen, dat altijd weer de kop opsteekt. Officieel is zijn tijd voorbij, hij is dood, maar hij kan niet echt dood. Dus leeft hij voort en geeft hij zijn cynische eeuwenoude wijsheid door.

,,De andere joodse personages in het boek hebben ieder hun eigen manier om met jodenhaat om te gaan. Janki denkt: ‘Als we ons net zo gedragen als de anderen dan zullen ze ons wel accepteren’, tot hij ervaart dat het niet zo werkt. Salomon zegt: ‘Moeten ze ons niet, dan moeten ze ons maar niet. Mij kan het niets schelen.’ En Arthur vraagt zich vertwijfeld af: ‘Wat heb ik fout gedaan, dat ze me niet mogen?’ Pinchas tenslotte zegt: ‘Als zij over ons liegen, zullen wij beter moeten liegen dan zij.’ Dat is misschien nog wel de meest effectieve strategie.”

Hoe ervaart u het grote succes dat dit boek u heeft gebracht?

„Ik was eerder heel succesvol, eerst met een toneelstuk en daarna met een televisieshow. Ik ben toen meteen iets anders gaan doen, want ik wilde mezelf niet herhalen. Het mooie van schrijven is dat je van beroep kunt veranderen en toch schrijver kunt blijven. Ik zet woorden bij elkaar en maak daar iets nieuws van; soms is het een dikke roman, soms een kort verhaal, soms een toneelstuk, soms een film of een aflevering voor de televisie, of een artikel voor de krant. Iedere vorm van schrijven heeft zijn eigen merite. Van alles wat je schrijft leer je beter schrijven.”

Wat is het belangrijkste verschil tussen het schrijven van toneel, film of een roman?

„Een boek is helemaal van mij. Er komt niemand tussen mij en mijn roman. Als mijn redacteur iets wil veranderen en het zint me niet, dan zoek ik een andere redacteur. Het wordt zo kort of zo lang als ik zelf wil. Voor het verhaal van de familie Meijer dacht ik ongeveer 500 bladzijden nodig te hebben, maar het werden er 750. Als je voor tv schrijft, zeggen ze van te voren: ‘Het moet over deze personages gaan en het mag precies 23 minuten en 30 seconden duren. Het wordt zo laat uitgezonden, dus we richten ons op die en die doelgroep.’ Je lost een probleem op en daar is niets mis mee.

Bij de tv willen ze geen stuk dat goed is, maar een stuk dat donderdag af is. Voor een krant of tijdschrift is het precies zo. Als ik de opdracht krijg om een stuk van 3.500 woorden te schrijven, moet ik er geen 2.000 of 5.000 inleveren, want dan kunnen ze er niets mee. Een boek is het meest persoonlijke genre. Persoonlijker nog dan een toneelstuk, want daar zitten de acteurs en de regisseur tussen mijn tekst en het publiek. In een boek staat er niets tussen mij en mijn lezer, alleen mijn eigen tekst. Maar ik zou niet uitsluitend boeken willen schrijven. Dat zou ik veel te zwaar vinden. Na een boek als dit ben ik helemaal leeg. Ik kan geen woord meer bedenken. Dan vind ik het heerlijk om een opdracht te krijgen waarbij anderen me vertellen hoe ze het willen hebben. Zo laad ik mijn batterijen weer op.”

Werkt u nu aan een nieuwe roman?

„Nee, maar er is wel een Nederlandse vertaling van een van mijn eerdere romans in voorbereiding. Ik schrijf nu aan een bundel verhalen. Aan Het lot van de familie Meijer heb ik jarenlang gewerkt. Ik zou nu niet nog een familiegeschiedenis kunnen schrijven, en ik wil al helemaal niet meer over joden schrijven. Ik probeer altijd iets te schrijven dat ik nog nooit eerder heb geschreven, zodat ik weer iets nieuws kan leren. Ik probeer steeds een andere stijl uit, die past bij het verhaal dat ik wil vertellen. In deze roman komen veel beeldspraken voor. Die horen voor mijn gevoel bij de rust waarmee het verhaal verteld wordt. Maar ik heb ook korte verhalen geschreven waarin geen enkele metafoor voorkomt. Ik kan pas beginnen met schrijven als ik de juiste stijl, de juiste toon heb gevonden.”

Hoe vindt u die?

„Ik weet niet waar die vandaan komen en ik wil het ook niet weten. Voor mij hoort dat bij de magie van het schrijven.”

Charles Lewinsky, Het lot van de familie Meijer. Signatuur, 667 blz. € 25,-