Het liefst had ik willen leven in matrozencafés

Lieve Hafid,

Ik beloof je om niet langer, omwille van de goede zaak, wijsheid en bezonnenheid uit te wasemen. Dat gaat me niet goed af, je hebt gelijk, het past bij me als een harnas bij een kraai, maar je hebt toch zeker tussen de regels door gelezen dat ik in diepste wezen een kroegmens ben? Het doel van de mens is om onder de mensen te zijn tot hij er bij neervalt. Nee, nu laat ik het achterste van m’n tong zien.

Maar mag een mens, godzalmebelatafelen, een béétje heen en weer geslingerd worden? De ‘ik’ die vindt dat het leven in de kroeg het enige waardevolle leven is, is een heel andere ‘ik’ dan de ‘ik’ die blij is dat het jou lukt om tekens op het papier te blijven zetten, liefst tekens die de medemens verblijden. Waar ik niet tegen kan is de versuffende gezelligheid die uit te serieus beleefd cafébezoek kan ontstaan. De oppervlakkigheid heb ik lief, als alternatief voor ernst en genegenheid, jawel, maar niet de gezelligheid, niet het geglunder waar men zelf in gaat geloven.

Ik vrees dat je een subtiliteitje over het hoofd ziet. Niet dat het bewuste café de Z. een café is vind ik bedenkelijk, maar dat het een café is waar schrijvers samenkomen. Wat leren ze je daar? Drinken? Dat kun je zelf al. Schrijven? Dat kun je zelf al. Je zit daar maar tussen ijdeltuiten en benepen zielen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Je denkt dat je collega’s met kwinkslagen strooien, maar intussen citeren ze quasi achteloos uit hun eigen werk. Zo beginnen alle boeken van de schrijvers uit hetzelfde café op elkaar te lijken, als je maar lang genoeg wacht.

Je hoeft niet eens lang te wachten, waarschijnlijk.

Ik draag mijn collega’s een opgewarmd hart toe, maar het liefst had ik willen leven in matrozencafés. In cafés waar het publiek wel jong is, maar geen dichter. In cafés waar groet en blik nooit worden beantwoord en waar niet wordt gezalfd. In cafés waar het gemis als zoutzuur werkt op de ziel. In gedroomde cafés.

En wat overkomt ons, jongen? Dat we het langs onze neus weg hebben over Pieter, Adri en Allard. Over Menno, Joris en Korneel. Voornamen die twinkelend uit onze mond rollen. Boodschappers van vertrouwdheid en zie-mij-de-grote-wereld-eens-kennen. Ik ga om met iedereen die er toe doet. Twinkelend gewoontjes.

Ik nam in mijn laatste brief afscheid van je door de groeten te doen aan Jan, Piet en Klaas, maar heeft dat niet iets van een naaikransje? ’t Lijkt nog het meest op wat er onder kinderboekenschrijvers aan de hand is. Toen ik kennismaakte met dat wereldje, door die vervloekte bloemlezing, viel me in blogs, recensies en artikelen vooral hun voornamen-manie op, naast de griffelziekte vanzelf. Henk gunt Ted de zilveren griffel niet, Ted vindt juist dat Henk de gouden griffel verdient. Hans, die al twee gouden griffels bezit, vindt het een schande dat Joke nooit een halve griffel heeft gekregen.

Zo kwekken ze de hele dag door, één familie is het.

De kennismaking is gelukkig oppervlakkig gebleven. Ik ken ze alleen van de foto, en noem ze naar volle tevredenheid meneer van Lieshout en dr. Hagen en zijne excellentie H. Kuyper.

Terug naar het café als inspiratiebron. Ik heb je in het café ook meegemaakt in een staat van volstrekte stagnatie. Gelukzalige stagnatie, maar stagnatie. Je glimlachte zeven hemelen bij elkaar, terwijl je vrienden pijn leden. Nog geen jaar geleden is het dat ik je er bijna onderdoor zag gaan. De mensen die toen om me heen zaten kunnen het getuigen. Kom nou, laat me één keer huichelen over de nutteloosheid van cafébezoek. Ik sta een eind dichter bij de dood.

Niet dat ik de hoop op je innerlijke verzet ook maar een seconde verloor. Pardon, daar doe ik weer wijs en bezonnen. Daar praat de zot alweer in zichzelf.

Wat ik in zotheid tegen mezelf zeg, dat zou ik je voor eeuwig willen besparen. Dan praat de ‘ik’ die niet dood wil tegen de ‘ik’ die dood moet. En omgekeerd. Moge dat alles ongeschreven blijven.

Voorlopig wuif ik naar je, uit een kuil met hevig meewuivende grafkransen,

je Gerrit