‘Het absurde karakter van de wereld is mijn thema’

‘Ik wil een entertainer zijn. Maar ik kies mijn onderwerpen niet zomaar.’ Met zijn negende thriller Cel won Charles den Tex (Australië, 1952) dit jaar zijn derde Gouden Strop. Hij voert nu met veelschrijver Tomas Ross de lijst van prijswinnaars aan. Den Tex debuteerde in 1995 met Dump. Hij schrijft actiethrillers, een genre dat hier nauwelijks wordt beoefend. Vaak spelen die in het bedrijfsleven; Den Tex werkt ook als communicatieadviseur en tekstschrijver. In Cel wordt de hoofdpersoon verdacht van een dodelijke aanrijding. Hij moet zijn onschuld bewijzen, maar de auto staat op zijn naam. Kort na de prijsuitreiking belandde het stilistisch superieure en humoristische Cel op nummer één van de bestsellerlijsten. Een unicum voor de tot dan toe weinig gelezen Den Tex.

‘Cel’ is een echt actieboek; u lijkt zo ongeveer de enige in Nederland te zijn die dat genre beheerst.

„Een motto dat ik al jaren hanteer is: ‘Don’t ask why people do things, ask what they will do next.’ Er is een filmwet, een ijzeren filmwet: ‘Show, don’t tell’. Die wordt ook door boekenredacteuren gehanteerd. Maar de populairste televisieseries wereldwijd doen niks anders dan vertellen. Tell, tell, tell. Law & Order, CSI, het is allemaal ‘tell, don’t show’ en het gaat erin als koek. De megasuccessen bij vrouwenthrillers in Nederland zijn ook ‘tell, don’t show.’ Dat willen de mensen graag. Dus óf die wet klopt niet óf er is iets anders aan de hand.”

Dat eerste dus.

„De wet heeft een beperkte geldigheid. Als je tot een bepaalde groep mensen behoort dan geldt die wet, maar zodra je niet tot die groep behoort niet.”

En het gros van de mensen behoort niet tot die groep?

„Dat is mijn conclusie.”

U doet veel showing?

„Ik probeer ‘ask what people will do next’. Dat is een regel die me naar de handeling voert en niet naar de gedachte. Dat is een heel productieve gedachte. Je zou kunnen bedenken dat hoe meer je naar de handeling neigt hoe meer je richting showing gaat.”

Is dat het grote verschil tussen u en succesvolle auteurs als Nicci French?

„Ik denk dat bij Nicci French en schrijfsters als Saskia Noort de gedachte veel eerder centraal staat dan de handeling, het gevoel, het interne. ‘Show, don’t tell’ heeft te maken met de plot en het verhaal. Ga je alles in het verhaal letterlijk vertellen, ‘Hij deed dit’ en ‘hij deed dat’, of laat je de ontwikkeling zien? Hoe meer je het over het interne hebt hoe meer je gaat vertellen. Omdat je dan logischerwijs al uitkomt bij de overweging.”

U leeft niet van het schrijven van thrillers alleen, u bent ook tekstschrijver.

„Ja zoiets. Ik heb net urenlang in de kluis van een grote firma het archief zitten doorvlooien. Dat doe ik een paar halve dagen per week; langer hou ik die research niet vol.”

Is de titel van uw bekroonde boek ‘Cel’ geïnspireerd op de eenzaamheid van het werk in die kluis?

„Nee. Ik werk daar voor mijn brood. In mijn romans schrijf ik fictie.”

Is alles in die romans verzonnen?

„Ja, behalve dat opvattingen van de personages op bepaalde punten overeenstemmen met wat ook ik zou kunnen vinden. Maar het verhaal zelf is verzonnen.”

Leent u zelfs uw personages geen eigenschappen van uzelf?

„Het komt natuurlijk wel voor dat ze zich in een bepaalde situatie gedragen op dezelfde manier waarop ik dat zou doen, als ik in een vergelijkbare situatie terecht zou komen. Want dan denk ik dat ik iets het beste kan beschrijven. Daartegenover staat dat ik nooit in die situaties zit. Ik wéét dus niet hoe ik zou reageren.”

Dat kunt u toch wel voorspellen?

„Het lijkt wel wat op praten over euthanasie: je weet nooit of je dat wilt en wanneer je dat wilt, al heb je er nog zo’n heldere mening over. Pas als het zich in het echt voordoet weet je wat je besluit zal zijn. Dan zie je dat de meeste mensen veel verder doorgaan met leven dan ze van te voren hadden gedacht. Dat geldt eigenlijk voor alle situaties. Er blijken altijd meer factoren en aspecten te zijn die je blijkt te moeten meewegen.”

Fungeert uw hoofdpersoon dan wellicht als superego?

„Nee, ja misschien. Nou nee.”

‘De Macht van Meneer Miller’, uw vorige boek waarmee u ook al de Gouden Strop won, sluit af met een absurdistische scène. Twee autobussen vol Zuid-Afrikaanse familieleden van hoofdpersoon Michael Bellicher, duiken plotseling op en redden hem uit een hachelijke situatie. U zondigt vaker tegen de wetten van het realisme, maar in ‘Cel’ lang niet zo uitbundig.

„Ik heb veel kritiek gekregen op die scène in ‘De Macht van Meneer Miller’. Maar die scène stond al voordat ik aan het boek begon. Hij paste bij het onderwerp van het boek – ergens bij horen. Michael Bellicher raakt iedereen kwijt die hem dierbaar is en aan het slot blijkt hij die enorme familie te hebben. Eigenlijk hoopte ik voor Cel iets anders op datzelfde niveau te bedenken, maar dat bleef uit. Er komt weliswaar een redelijk idiote achtervolging in voor met een auto door de kassen in het Westland, maar die is van een andere orde.”

Het thema van ‘Cel’ is identiteitsfraude. Michael Bellicher blijkt ditmaal eigenaar van een auto waarmee iemand is doodgereden, maar hij weet van niks. Hoe realistisch is dat?

„Die dingen gebeuren echt. Identiteitsfraude vindt op grote schaal plaats. Geen van de voorbeelden in het boek is verzonnen, behalve misschien de allerlaatste waarbij de inlichtingendienst ook identiteiten steelt om er terrorisme mee te bestrijden. Dat heb ik zelf bedacht, maar als dat straks waar blijkt te zijn, zou dat me niet verbazen.’’

„Ook het verhaal dat ik vertel over een vermeende pedofiel is authentiek. Een man ging met een gestolen creditcard naar een vakantiepark en vergreep zich daar aan twee jongetjes. Hij betaalde alles met die creditcard en omdat niemand hem goed had gezien, hadden ze geen signalement, maar wel een creditcardafschrift. De houder van die kaart werd van zijn bed gelicht door de politie en dan gaat het er niet zachtzinnig aan toe. Ze komen dan niet alleen vragen waar je was, maar ze doorzoeken ook je huis om belastend materiaal te vinden. Dat gaat met enige overmacht. Die man werd in de bak gegooid en kon niet meteen bewijzen dat hij het niet was geweest. Na een paar dagen lukte dat wel, maar dan is het eigenlijk al te laat. Mensen gaan erover praten. De politie is toch niet gek, denken ze. Deze man merkte toen hij weer vrij was dat bijvoorbeeld zijn kleinkinderen niet meer met hem alleen werden gelaten. Dan is je leven ontwricht.”

Is het gebruik van zo’n thema niet moralistisch?

„Nee. Wat is daar moralistisch aan? De enige boodschap die erin zou kunnen zitten is: maf hè, vind je het niet bizar? Waar het mij om gaat is dat de wereld op een bepaalde manier functioneert, vaak buiten ons gezichtsveld, en dat die manier op zijn zachtst gezegd licht absurd is. Als je in die absurditeit verwikkeld raakt, kan het heel vervelend worden. Dat is wat ik mooi vind om te beschrijven. Ik denk inderdaad dat het absurde karakter van de wereld mijn onderwerp is. Ik wil daar niet heel serieus over vertellen, maar ik wil de verschillende elementen op een licht absurde manier samenbrengen.”

Bent u dan het cynisme voorbij? Denkt u dit is zo treurig, laten we er maar om lachen?

„Ja, het is heel vaak idioot, maar je moet wel een bepaalde afstand in acht kunnen nemen. Anders word je heel erg agressief. Maar mijn drijfveer is eerder dat ik ontzettend veel gedachten en observaties heb over wat er om mij heen gebeurt. Veel van wat ik hoor en lees vertrouw ik niet. Dat is niet cynisch. In mijn verhalen kan ik veel van die observaties kwijt kan, met mijn interpretaties erbij.”

Om iets recht te zetten?

„Nee, omdat het leuk is. Als ik een verhaal kan vertellen waarin ik een observatie en mening kwijt kan zonder dat de lezer steeds denkt: daar zit ik met de mening van Charles den Tex, dan is dat ontzettend leuk.’’

Wat bent u dan meer, pedagoog of entertainer?

„Entertainer. Ik heb geen missie om mensen op te voeden of ze bewust te maken. Maar tegelijkertijd kies ik mijn onderwerpen niet zomaar. Ik vind identiteitsfraude en de krimpende privacybescherming zorgelijk. Ik vind de invloed van management en marketing op de samenleving als geheel en op ons begrip ervan niet positief. Ik vind de hysterische medemens soms moeilijk te pruimen. Ik vind de geloofwaardigheid van de bestuurlijke elite problematisch. En zo vind ik nog wel meer dingen die ik vind en die op de een of andere manier een plek krijgen in mijn verhalen.”

Blijft dat hangen bij de lezer?

„Veel ervan niet, ongetwijfeld. Maar het zit er wel in en dat is volgens mij een van de dingen waarmee mijn boeken zich onderscheiden .”

U hebt zich als bestuurslid van het Genootschap van Nederlandse Misdaadauteurs sterk gemaakt voor de subsidiëring van thrillerschrijvers.

„Hoezo? Ik heb nooit actie gevoerd.”

U bent er wel over wezen praten bij het ministerie en het Fonds voor de Letteren.

„Dat wel. Mijn persoonlijke opvatting is dat als de overheid geld geeft om facetten van de cultuur in Nederland te behouden of te versterken, dat ze dan consequent moet zijn. Als film en literatuur subsidiabel zijn, waarom het spannende boek dan niet? Er is zo langzamerhand in mijn ogen een case te maken voor het subsidiëren van de misdaadliteratuur.”

Die case ondersteunde u door er met medebestuurslid René Appel een stuk over te schrijven.

„Ons idee was: probeer de zaak nou eens niet aan elkaar te lullen, maar probeer het eens uit elkaar te lullen. Waarom kun je onderscheid maken tussen klassieke muziek en popmuziek en niet tussen literatuur en thrillers? Wij probeerden dus te benadrukken wat de verschillen zijn en daar waren René en ik het hartelijk over eens. Als je ooit iets wilt hebben waar een subsidieverlening aan gekoppeld is, dan heb je dat soort argumenten nodig. Anderen vinden dat thriller en literatuur hetzelfde ding zijn. En daarom worden wij gemeten met criteria die de onze niet zijn.”

Op uw website schrijft u heel summier en poëtisch over bestralingen. Bent u nog ziek?

„Op het moment niet.”

Wilt u erover praten?

„Liever niet, nee.”

Het is opmerkelijk dat het nergens in uw boek opvalt, het feit dat u bent geconfronteerd met uw tijdelijkheid werkt kennelijk niet door.

„Nu ja, het is natuurlijk heel ingrijpend, maar ik ben er geen ander persoon door geworden of zo. Het was ook niet echt een vernieuwend inzicht. Het enige wat ik erover wil zeggen is dat Cel daardoor voor mij belangrijker werd. Omdat het voor mijzelf de afsluiting is van iets waar ik in zat.”

De titel is in dit verband wel navrant

„Ja, als je het zo wilt lezen. Maar dat heb ik zelf niet gedaan.”

Charles den Tex: Cel. De Geus, 382 blz. € 21,90. Ook het andere werk van Den Tex verschijnt bij uitgeverij De Geus. Meer over Charles den Tex en de Gouden Strop op charlesdentex.nl, crime.nl en nrcboeken.nl.